Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
teld. — De cirkels, welke aau het hemelgewelf evenwijdig aan de
ekliptika loopen, heeten breedte-cirkek, en die, welke door de pool
der ekliptika regthoekig op deze getrokken worden, noemt men lengte-
cirkels. — Lengte en breedte hebben dus aan het hemelgewelf eene
andere beteekenis dan op de Aarde. — Trekt men door eene ster
S, fig. 21, den declinatie cirkel PSB, dan maakt deze met haren
lengte-cirkel QSC eenen hoek PSQ, die de positie-hoek genoemd wordt.
De pool der ekliptika, de pool des hemels en eene zekere ster vor-
men derhalve eenen bolvormigen driehoek, waarvan PS het com-
plement der declinatie, QS het complement van de breedte en PQ
gelijk aan de scheefheid der ekliptika is, terwijl de hoek P door
den uurhoek en de hoek Q door de lengte van de ster bepaald
wordt.
32. Sphaeha armillaris. De afbeelding van alle cirkels, die tot
plaatsbepaling van een punt aan den hemel dienen, wordt sphaera
armillaris of ringsfeer genoemd. Zulk eene afbeelding is in fig. 22
voorgesteld. Wij zullen ter herinnering aan het behandelde, in die
figuur voor eenig punt S aan het hemelgewelf de verschillende groot-
heden opgeven, en de overeenkomst aantooncn, die er tusschen som-
migen daarvan bestaat, ook ten opzigte van de plaatsbepaling op
de Aarde. In de genoemde figuur is T het toppunt, NOZ de hori-
zon, P dc noordpool des hemels, AOA' de aequator, Q de pool
dev ekliptika, BOB' de ekliptika, TC een hoogtecirkel voor het punt
S, SC de hoogte en ST de toppuntsafstand van S, PN de poolshoogte,
TP toppuntsafstand van dc pool, BZ de aequatorhoogte of eolatitude,
PD de declinatie-cirkel, SD de declinatie, QE een lengtecirkel, SE
de breedte van S, V het lentepunt, yE de lengte van S, tD de
regte opklimming van S, STP de parallaktische driehoek, hoek STP
het azimuth van S, SPT de uurhoek, TSP de parallaktische hoek,
TO de eerste verticaal, PTZ meridiaan voor het punt T, P cul-
minatiepunt voor S, aPa' dagboog van S, aF'a' nachtboog van S,
Oa en Wa' de amplitude, terwijl de cirkels, die door de keerpunten
B en B' van de ekliptika evenwijdig aan den aequator loopen de
keerkringen, en die welke door de polen Q en Q' van de ekliptika
evenwijdig aan den aequator getrokken zijn, poolcirkels heeten. Ver-
der zijn de cirkels P P' V en P S5 P' de coluren. De boog
tusschen het lentepunt V en het pnnt van den aequator, dat met eene
ster gelijktijdig in den horizon is, heet de scheeve opklimming, en de