Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
36
31. Pool dek Ekliptika, Poolcirkels, Coluren, Lengte bn
Breedte aan het hemelgewelf, positie-hoek. Stelt men, in fig.
21, op het vlak der ekliptika EE' uit het middelpunt M der Aarde
eene loodlijn QQ', dan zal deze as der ekliptika met de as des he-
mels PP' eenen hoek van ongeveer 23°27'30" maken, het oppervlak
der Aarde op 23°27'30" van de aardpolen snijden, en het hemelge-
welf op 23°27'30" van de polen des hemels ontmoeten. Die punten
aan het hemelgewelf heeten polen van de ekliptika.
De parallelcirkels Qq en Q'q', welke aan het hemelgewelf door de po-
len van den zonsweg gaan, worden poolcirkels genoêmd, terwijl de over-
eenkomstige parallelcirkels op het oppervlak der Aarde mede poolcir-
kels heeten. — Stelt men het vlak van de ekliptika en dan ook de
loodlijn, welke uit het middelpunt der Aarde op dat vlak getrokken
wordt, als onbewegelijk, dan zal die loodlijn bij de omwenteling van
de Aarde om hare as op het oppervlak der Aarde de poolcirkels be-
schrijven. De poolcirkels, zoowel aan den hemel als op de Aarde,
zijn dus 66°32'30 ' van den aequator verwijderd.
Onder den naam van coluren verstaat men die cirkels, fig. 21,
welke van de pool des hemels P door de aequinoctiaalpunten T en
en door de solstitiaalpnnten 25 en gaan. De eerste is de
coluur der aequinoctiën, de andere die der solstitiën. — Anderen
laten de coluren in plaats van door de pool des hemels door de
pool Q der ekliptika en door de genoemde punten gaan. — In het
eerste geval staan de coluren regthoekig op den aequator, en in
het andere geval regthoekig op de ekliptika. In beide gevallen dee-
len de coluren het hemelgewelf in vier gelijke en gelijkvormige bol-
vormige deelen.
De cirkels, die van de pool Q van de ekliptika regthoekig op de eklip-
tika getrokken worden, kunnen gebruikt worden om de plaats van eene
ster te bepalen. — De boog CS, welke op zulk eenen cirkel tusschen
eene ster S en de ekliptika ligt, is de breedte van die ster. —
Sterren, die dus in de ekliptika liggen , hebben geene breedte. —
Het punt C, waarin de groote cirkel, die door de ster S gaat, de
ekliptika regthoekig snijdt, bepaalt den stand van dien cirkel ten
opzigte van het lentepunt Y. — De boog Y C van de ekliptika tus-
schen het lentepunt Y en het punt C, waar de breedte-cirkel QC
van eene ster S de ekliptika snijdt, wordt de lengte van de ster S
genoemd. De lengte wordt van Y door 35 en tot 360° ge-