Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
de hoek, dien zijn vlak niet het aequatoriaalvlak maakt, heet de sekeeve
stand d^r eklipiika. De punten V en fig. 20, waarin de eklip-
tika den aequator snijdt, worden de aequinocliaalpunten genoemd,
omdat over de geheele Aarde dag en nacht even lang zijn, wanneer
de Zon zich in die punten bevindt. — Dat aequinoctiaalpunt V,
waarin zich de Zon den 21 Maart bevindt, wordt het lentepunt
of de leniemede (16) genoemd, terwijl het punt — , waar zij zich den
23 September bevindt, het herfstpunt of de herfstsnede genoemd
wordt.
Het is duidelijk dat de declinatie van de Zon in de eerste dagen
na het verlaten van de linie sterker toeneemt, dan wanneer zij meer
hare grootste afwijking van den aequator nadert. Zoo verandert in
de eerste dagen, voor en na 21 Maart en voor en na 23 Septem-
ber, de declinatie van de Zon dagelijks ruim 23| minuut, terwijl
zij in de eerste dagen, voor en na 22 Junij en voor en na 22 De-
cember, dagelijks slechts eenige seconden verandert. Van 21 tot 23
Junij en van 21 tot 23 December is het verschil in declinatie van
de Zon zoo gering, dat zij bijna niet verandert, omdat de ekliptika dan
sckier evenwijdig aan den aequator is, waarom men dien tijd den
zonnestilstand, solstitium, noemt. — De punten 25 en fig. 20, van
de ekliptika, in welke de Zon hare grootste declinatie heeft, noemt
men daarom de solstitiaalpunten, en dewijl zij, na die punten bereikt
te hebben, weder meer tot de linie nadert, zoo noemt men die
punten ook de keerpunten van de Zon. — Trekt men door die pun-
ten, %. 20, aan het hemelgewelf cirkels DD' en BB'evenwijdig aan
den aequator, dan zijn dit de keerkringen of tropici. Er is dus een
noordelijke en een zuidelijke keerkring, en beiden bevinden zich onge
veer 23°27'30" van den aequator. — De keerkringen zijn dus ook
parallelcirkels (8), en dewijl, naar (24), elke parallelciikel aan het he-
melgewelf overeenstemt met eenen parallelcirkel op de Aarde, welks
breedte even groot is als de declinatie van den eersten, zoo worden op
het oppervlak der Aarde de parallelcirkels, die op ongeveer 23°28'
breedte getrokken worden, ook keerkringen genoemd. — Uit een en ander
volgt dat de as van de Aarde of die van het hemelgewelf met het
vlak der ekliptika eenen hoek van omstreeks 90" — 23°27'30" =
66°32'30' maakt, zoodat de asbeweging van de Aarde in dien
scheeven stand len opzigte van de ekliptika geschiedt, en dal Int
middelpunt der Aarde in het vlak van de ekliptika ligt.
3-«