Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
de afwijking is dan gelijk aan den uurhoek vermenigvuldigd met den
sinus van de breedte.
Nu is het verder duidelijk, dat, indien hetpunt van A af eenen twee-,
drie- of n- maal grooteren weg aflegt, ook de afwijking evenveel
malen grooter zal zijn, en dat dus de slinger eens eene geheele
omwenteling om zijne verticaal zal maken. — Uit genomene proe-
ven blijkt dat hiertoe bij ons omstreeks 30 uren vereischt worden,
en dit stemt met de boven aangegevene formule overeen: want als
wij onderzoeken, welke de afwijking in één uur op eene breedte
van 52° zal zijn, dan heeft men:
sin ^ a = sin 52° X sin 7°30', of
a —11''48'27'',
zoodat voor eene geheele omwenteling van het slingervlak hier 360 : a
of ongeveer 30i uur noodig zijn.
Uit het behandelde blijkt dat de afwijking voor eenen bepaalden
tijd of voor eenen gegeven uurhoek minder zal zijn naar mate de
breedte b kleiner wordt, en dat deze dus onder de linie, als b O
is, ook gelijk O zal zijn, — dat is: onder de linie zal het slingervlak
niet afwijken, en hiervan zal men, door eene teekening naar fig. 19
te vervaardigen, de reden ook ligt inzien.
Dewijl nu dit verschijnsel, gevoegd bij de vroeger genoemden,
zoo eenvoudig kan verklaard worden, als men aanneemt dat de
Aarde in 24 uren om hare as wentelt, zoo mogen wij die onder-
stelling als volkomene waarheid aannemen.
4. DE ZON EN DE AARDE IN BETREKKING TOT
ELKANDER.
29. SCHIJNBAIIE PLAATSVERANDEKING VAN DE ZON AAN HET HEMELGE-
WELE. —Waar men zich ook op de Aarde bevinden moge, overal zal men
zich spoedig kunnen overtuigen, dat de Zon niet steeds in dezelfde
streek van den horizon opkomt, noch ondergaat, en dat de hoogte,
op welke zij culmineert, niet altijd dezelfde is. Zij beschrijft dus
niet even als de vaste sterren eiken dag denzelfden parallelcirkel
aan den hemel. Nu eens ligt haar dagboog digter bij de noordpool
en dan weer digter bij de zuidpool des hemels. Bij ons zijn in het
eerste geval hare dagbogen grooter dan in het andere geval. Om-
streeks 21 Maart ligt de dagboog van de Zon juist in den aequator