Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
30
in welke drukking f = 0,0336 el, of de versnelling der middelpunt-
vliedende kracht onder de linie is. Men vindt dan voor de lengte
van den secondeslinger te Stokholm :
1' = 0,99092 -i- X (0.86015)' 0.99342 el.
(3,1416)'^ '
Deze waarde is echter kleiner dan de proefondervindelijk bepaalde,
omdat de afplatting der Aarde buiten rekening gelaten is.
Men ziet dus hieruit dat noch de afplatting der Aarde alleen,
noch de asbeweging der Aarde afzonderlijk voldoende rekenscha]i
kan geven van het verschil in lengte van den secondeslinger op ver-
schillende plaatsen aan het oppervlak der Aarde, en dat beidt om-
standigheden vereenigd nader tot de verklaring van dat verschijnsel
zullen leiden.
7°. De proef van Poucault. In 1851 maakte Léon Foucault op-
merkzaam . dat de omwenteling van het slingervlak van eenen enkel-
voudigen slinger zijne verklaring kan vinden in de aswenteling der
Aarde. Hangt men eenen enkelvoudigen slinger op, bijv. een meta-
len bol aan eenen langen dunnen metaaldraad, en brengt men dezen
slinger in beweging, dan zal men zien dat hij langzamerhand van
zijnen gewonen weg afwijkt. of wel dat zijn slingervlak om de verti-
caal draait, en wel zoodanig, dat bij ons het zuidelijke deel naar het
Westen afwijkt, zoodat de draaijing tegengesteld is aan die van de
Aarde, als deze van het Westen naar het Oosten omdraait. Ten ge-
volge van de inertie kan de slinger zijne beweging niet wijzigen,
en hij moet dus in dezelfde rigting blijven slingeren, en daar toch
deze verandering plaats grijpt, zoo kan deze verklaard worden, als
men aanneemt, dat de punten op het oppervlak der Aarde onder de
verticaal van plaats veranderen ten opzigte van het slingervlak.
Blijft de rigting van het slingervlak onveranderd, dan zal, bij eenen
boven de pool der Aarde opgehangen slinger, het oppervlak der
Aarde om de verticaal van den slinger, die dan in de hemelas valt,
in 24 uren omdraaijen, en het zal dus schijnen als maakte het slin-
gervlak in 24 uren eene geheele omwenteling in tegengestelden zin
van de beweging der Aarde. Wordt de slinger echter op eene plaats
tusschen de linie en de polen opgehangen, dan neemt men, zooals
gezegd is. hetzelfde bewegingsverschijnsel waar, maar de omwente-
ling geschiedt dan niet in 24 uren. Laat A. fig. 19. een punt op
het oppervlak der Aarde zijn, waar boven een enkelvoudige slinger