Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
27
worden, en onderstellen wij dat in den tijd, dat dc kogel van A.
naar a kan vliegen, het punt A door de asbcweging den weg AB af-
legt , dan zal het punt a den weg ab afleggen. Bij zijn vertrek heeft
dus dc kogel eene snelheid in de rigting van AB en eene andere in de
rigting van Aa. Hij zal dus in den tijd, dat hij door de voort-
stuwende kracht den weg Aa zou afleggen, door de asbcweging van
de Aarde de lengte van AB oostwaarts afgeweken zijn, en dus
door die vercenigde snelheden eenen gemiddelden weg kiezen en
derhalve in eenig punt c aankomen. In dien tijd is echter het
pnnt a tot b voortgegaan, en het punt c ligt dus zooveel oostelijker
dan a, als AB—ab bedraagt. — Had men omgekeerd van a naar A
geschoten, dan zou de kogel eene snelheid in de rigting van ab
en eene in de rigting van aA hebben. In den tijd, dat hij door de
voortstuwende kracht van a tot A vliegen zou, wordt hij door de as-
beweging eenen weg ab oostelijk gedreven. Hij zal dus eenen ge-
middelden weg kiezen, en in een pnnt C aankomen, dat zooveel
westelijker dan A ligt als AB—ab bedraagt, omdat in den tijd van
zijne beweging het pnnt A den weg AB oostwaarts heeft afgelegd.
Bevindt zich een punt A, fig. 14, in het luchtruim verticaal
boven een punt a van het oppervlak der Aarde, dan zal de bewe-
ging van het punt A om het middelpunt M zooveel maal sneller
zijn dan die van het punt a, als de straal aM in den straal AM
begrepen is. Was bijv. A de top van eenen hoogen toren Aa, dan
is de beweging om het middelpunt grooter bij den top dan aan
den voet des torens. Beweegt zich nu in eenen zekeren tijd de
top van A naar B, dan zal de voet van a naar b joortbewogen
zijn, als namelijk de Aarde om hare as wentelt. Laat men nu van
den top A een voorwerp vallen, en onderstellen wij dat de top van
A naar B beweegt in den tijd dat het voorwerp den weg Aa kan
afleggen, dan heeft dit voorwerp bij zijn vertrek tweederlei beweging:
de eene in de rigting van AB en de andere in de rigting van Aa.
Het zal dus eenen gemiddelden weg nemen, en in een punt c aanko-
men, dat zooveel oosterlijker dan a ligt, als AB—ab bedraagt, om-
dat gedurende den valtijd het punt a eenen weg ab, en het vallende
voorwerp eenen weg AB oostwaarts heeft afgelegd. — Deze een-
voudige verklaring van genoemde verschijnselen, waarbij wij de
asbcweging der Aarde onderstelden, maakt die beweging dus zeer
waarschijnlijk.