Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
2(3
zoodat de asbeweging grouden voor de afplatting vau de Aarde
aangeeft, eu deze dus nog meer waarsehijnlijlc wordt.
De proef van Plateau bewijst deze theorie volkomen. Indien
men namelijk in een glazen vat een mengsel van water en alkohol
in zoodanige verhouding neemt, dat het soortelijk gewigt gelijk aau
dat van olijfolie is, en men brengt in deze vloeistof door middel
van eene pijp eene kleine hoeveelheid olie, dan zal deze eenen bol-
ronden vorm aannemen. Brengt men door dezen bol in de rigting
van zijn middelpunt een staa^e, dat om zijne meetkunstige as ge-
draaid kan worden, dan zal men den olie-bol langzamerhand eene
draaijende beweging zien aannemen, en naarmate men sneller draait
zal deze bol aan de polen afgeplat worden en aan zijnen aequator
uitzetten. Zonder deze asbeweging zou de hoeveelheid olie de bol-
vormige gedaante behouden hebben, en de afplatting der Aarde kan
dus als een gevolg van hare asbeweging besehouwd worden.
3°. O^-ebeenkomst mei andeke uemelligchambk. NaaUWkeurige
waarnemingen hebben de sterrekundigen, zoo als wij nader zien
zullen, tot de overtuiging gebragt, dat onderscheidene hemelligeha-
men eene asbeweging hebben. Van sommigen heeft men ook de
afplatting waargenomen, en hieruit zon reeds, bij zooveel overeen-
stemming, volgen dat ook de Aarde eene gelijke beweging moet
bezitten, te meer daar de asbeweging van bedoelde hemelligehamen
ook van het "Westen naar het Oosten geschiedt.
4". Vekschijnselen bij vooktgeworpen ligchamen. Bij opzette-
lijk daartoe ingestelde proeven is het gebleken dat een voorwerp,
hetwelk van eene belangrijke hoogte valt, eenigzins oostwaarts van
de verticaal neêr komt. Een bij ons naar het Noorden geschoten
kogel wijkt iets oostwaarts van de rigtlijn af. Een bij ons naar het
Zuiden geschoten kogel wijkt iets westwaarts van de rigtlijn af. —
Al deze verschijnselen kunnen, als er geen wind is, niet plaats
hebben, als de Aarde niet om hare as wentelt, tenzij ons onbe
kende oorzaken de afwijking zouden te weeg brengen. Beweegt zich
echter de Aarde van het "Westen naar het Oosten om hare as, dan
is de verklaring eenvoudig.
Laat bijv. in fig. 16 de cirkels, waarvan AB en ab bogen zijn,
parallelcirkels voorstellen, en Aa en Bb deelen van middagcirkels
zijn, dan zullen AB en ab gelijknamige deelen van eenen geheelen
cirkelomtrek zijn. Laat nu een kogel van A naar a geschoten