Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
25
afgeplatte Torm van het oppervlak zou hiervan een noodzakelijk
gevolg zijn.
Het ligehaam der Aarde is echter waarschijnlijk niet hol. De
stof, waaruit het bestaat, ten deele no^ vloeibaar, was vroeger
echter geheel vloeibaar. Dat ligehaam, dat zijn ronden vorm toen
reeds bezat, bezit echter eene kracht, die al zijne deelen naar het
)aiddelpunt trekt, de zwaartekracht. Die kracht strekt zich ook
uit tot voorwerpen buiten haar oppervlak. De kracht, waarmede
de deeleu aan het oppervlak der Aarde naar haar middelpunt ge-
trokken worden, is grooter dan de middelpuntvliedende kracht van
die deelen, omdat zij nog gewigt hebben. Hadden zij geen gewigt,
dan moest de middelpuntvliedende kracht gelijk aan de middelpunt-
trekkende kracht zijn , en vallen was dus voor een voorwerp in de
nabijheid van het oppervlak der Aarde eene onmogelijkheid.
Door proeven weet men, dat de middelpunttrekkende kracht een
vrijvallend ligehaam onder den aequator in één seconde eenen weg
van 4,S9 el laat afleggen. Deze weg zou grooter zijn, indien de
middelpuntvliedende kracht haar niet regtstreeks tegenwerkte. Ten
gevolge van de middelpuntvliedende kracht zou het ligehaam zich
in één seconde
_ W_ 40000000X(3,1416)»_
t^ ~ l2rS"6Öxl5Ö7--"."it'Sei
van het middelpunt verwijderen : want itn is gelijk 40000000 ellen,
en t is gelijk aan 24 uren of 24 x 00 x 60 seconden.
Werkte dus de zwaartekracht alleen op het ligchaa'n, dan zou
het in één seconde 4,89 + 0,0168 =: 4,9068 el vallen.
Aan de polen werkt geen middelpuntvliedende kracht, en bij eene
bolronde Aarde zou dus daar een vrijvallend ligehaam eenen weg van
4,9068 el in de seconde afleggen.
De kracht, waarmede dus de deelen aan het oppervlak der Aarde
bij de linie naar het middelpunt getrokken worden, is dus
0,0168 _ _1_
4,9068 2*92
kleiner dan de kracht, waarmede zij bij de polen naar het mid-
delpunt getrokken worden, en dus moeten bij eene vloeibare
Aarde de polen ingedrukt, en het ligehaam onder den aequator uit-
gezet worden. Volgens deze beschouwing zou dus de afplatting ^Ij
bedragen, welke waarde vrij wel met die van (27) overeenkomt.