Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
V
■yf
24 ,
Bestond ecliter de middelpunttrekkende kracht niet, dan zoutle
het punt A, ten gevolge van de tangentiaalkracht, zich van het mid-
delpunt zoeken te verwijderen. In een tijdsdeel zou het dus even-
veel van het middelpunt verwijderd zijn als het door de middel-
punttrekkende kracht naar het middelpunt zou naderen. Dekricht,
die het punt van het middelpunt zoekt te verwijderen, ivordt
middelpuntvliedende kracht genoemd, en noemen wij nu de» weg,
dien het ligchaam in een tijdsdeel van het middelpunt afwijken zou,
F, zijne snelheid c en den straal van de baan r, dan is ook:
Noemen wij nu den tijd, in welken het punt om zijn middelpunt
beweegt t, dan is:
i. 1 2r7i
tc 2r 71, en c
Wij vinden dan voor F dc waarde:
p _ c^ _ W _ W
2r 2rt" t' '
Heeft men nu een ander punt, dat op eenen afstand r' van zijn
middelpunt verwijderd is, dan zal de afstand F', dien het puntten
gevolge van de middelpuntvliedende kracht in één tijdsdeel van
het middelpunt verwijderd zou worden, als de omwentelingstijd t is,
gevonden door de uitdrukking:
t"
Zijn dus van twee punten de omwentelingstijden gelijk, maar
hunne afstanden tot het middelpunt r en r', dan zullen de verwij-
deringen F en F' van het middelpunt bij het ophouden der mid-
delpunttrekkende kracht tot elkander eene zekere verhouding heb-
ben, die afhangt van de grootte van den voerstraal. Zoo is dan:
F = • of
■ t'
F : F' == r : r'.
De middelpuntvliedende kracht van eenig stoffelijk punt, dat om
eeu middelpunt ben eegt, is dus evenredig met den afstand van dat
punt tot zijn as. Daarom zoude, als de Aarde een hol ligchaam
was, dat een buigbaar oppervlak had, onder den aequator de uitzet-
ting grooter moeten zijn dan onder eenigen parallelcirkel, en de