Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
'23
Westen naai- het Oosten, dan worden al die verschijnselen daardoor
duidelijk.
Het schijnbare hemelgewelf is echter geen geheel. De zon, de
ma:ji en de sterren bevinden zich op verschillende afstanden van dc
Aarde. Al deze hemellichten zijn bollen, waaronder er zijn , die veel
grooter dan de Aarde zijn. De zon is bijua Ij millioenmaal groo-
ter dau de Aarde, en haar afstand van de Aarde meer dan twin-
tigduizendmaal den afstand van het middelpunt van de Aarde tot
haar oppervlak. — Die groote zon en zoovele andere groote bollen,
die meer of minder ver van de Aarde verwijderd zijn, zouden met
meer of minder snelheid in 2é uren om de Aarde bewogen moeten
■worden, terwijl de nietige Aarde slechts niet eens om hare as wen-
telde. — De eenvoudigheid pleit dus hier voor de beweging van
de Aarde om hare as.
2°. Afplatting van de aarde verklaard. Beweegt zich een
punt op eenigen afstand om een middelpunt en dus in eene kromme
lijn, dau leert de Natuurkunde, dat daarbij twee krachten moeten
werkzaam zijn, als: de tangentiaalkracht en de middelpnnttrekkende
kracht (•). De eerste wordt daar voorgesteld als, regthoekig op den
voerstraal, aan het punt eenen stoot gegeven te hebben, terwijl de
andere het punt standvastig naar het middelpunt blijft trekken. Be-
weegt zich nu het punt A, fig. 18, om het middelpunt M met eene
eenparige snelheid, zoodat het in gelijke tijden gelijke deelen van
den omtrek des cirkels aflegt, dan zal, als het punt A in een klein
tijdsdeel van A tot b is voortgegaan, in dien tijd de tangentiaal-
kracht dit punt van A naar B, en de middelpunttrekkende kracht
van A tot a gedreven hebben. — Was nu het tijdsdeel zoo klein
genomen, dat de boog Ab als eene regte lijn kon aangemerkt wor-
den, die de diagonaal is van het parallelogram AabB, dan is:
Ab' Aa X AC.
Stellen wij nu de snelheid van het punt in één tijdsdeel of
Ah=:c, den afstand AM = r, en den weg, dien het punt door
de middelpunttrekkende kracht in een tijdsdeel naar het middelpunt
aflegt ofAa=:f, dan is:
c'' = 3rf, cn fz=
2r.
(♦) Zie Steyn Parvé, Natuurkunde, bladz. 78—83
nica, bladz. 118—119 en 127—128.
en Steynis, Mecha-