Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
van de middellijn des aequators is (*). Uit die metingen, welker
resultaten in fransche toises zijn opgegeven, Leeft men bevonden dat
de omtrek der Aarde, volgens den meridiaan van Parijs gemeten,
ongeveer 205202963 toises ^s. De commissie voor de bepaling van
den meter stelde dien gelijk aan 0,513074 toise, zoodat de omtrek
van de Aarde gelijk aan 40 millioen meters is, cn bij de wet van
19 Primaire, jaar 8 (10 Dcc. 1799) werd de aldus bepaalde meter
in Frankrijk, en daarna ook in andere landen ingevoerd. — Naar-
mate de afplatting echter anders genomen wordt, zal men voorden
omtrek van de Aarde eene andere waarde vinden, doch deze zou den
meter slechts een gering gedeelte van een' millimeter wijzigen.
Was de Aarde een bol, dan zouden de stralen van de parallel-
cirkels uit den straal van de Aarde en uit de aardrijkskundige
breedte gemakkelijk kunnen berekend worden. De parallelcirkel
van 60° bijv. zou eenen straal hebben gelijk aan de helft van den
aardstraal, en van eenen parallelcirkel, die op eene breedte « ligt,
zou de straal gelijk aan r cos. a zijn, als dc straal van de Aarde
door r werd voorgesteld. De omtrek van zulk eenen parallelcirkel
zou dan gelijk aan 2 r ti cos. ct zijn, of de omtrek van eenen wille-
keurigen parallelcirkel zou gelijk zijn aan den omtrek van den bol,
vermenigvuldigd met den cosinus van de breedte. Het is echter
duidelijk dat er in de werkelijkheid, uithoofde van de afplatting
van de Aarde, eenig verschil moet bestaan. — Dewijl echter de
afplatting zoo gering is, dat zij voor eenen bol van 1 meter mid-
dellijn slechts 3 streep zou bedragen, zoo is het duidelijk dat men
bij sterrekundige waarnemingen, die ten opzigte van het middelpunt
der Aarde herleid worden, den straal overal als even groot kan
aannemen, en dus de Aarde als eenen bol beschouwen. — De geringe
oneffenheden van de bergketenen, al zijn deze ook 8000 ellen hoog,
maken den straal der Aarde slechts jJ, grooter, zoodat zij op
een bol van 1 meter middellijn ongeveer 1 streep zouden bedragen.
Ook die oneffenheden schaden dus weinig aan de bolrondheid van
de Aarde.
(*) Voor die afplatting heeft de commissie voor het bepalen van het
uieuwe stelsel van maten eu gcwigten jJtj genomen. Volgens andere bere-
keningen is óie en volgens genomen slingerproeven ^^oj 'erwijl nog
audere waarden aangegeven worden.