Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
evenveel graden hebben als de bogen AB of ah, zoo is de aardrijks-
kundige lengte van eene plaats in graden gelijk aan den boog van
eenigen parallel-cirkel, begrepen tusschen den meridiaan van die
plaats en den eersten meridiaan. Plaatsen, welke onder denzelf-
den meridiaan liggen , hebben dus gelijke lengte. — Ligt eene plaats
B, B", b of h" ten oosten van den eersten meridiaan, dan heeft zij
üoiter-lengte, en ligt eene plaats B' of b' ten westen van den eersten
meridiaan, dan heeft zij weder-lengie. — De grootste lengte van eene
plaats is dus 180°, en plaatsen onder den eersten meridiaan gelegen
hebben geene lengte. — Het verschil in lengte van twee plaatsen
B en B", b en b", B en b" of b en B", is dus gelijk aan den
hoek BPB", dien de meridianen BP en B "P van die plaatsen te
zamen vormen, en dus gelijk aan de graden van de bogen BB" of
bb", welke door die meridianen van parellel-cirkels worden afge-
sneden. — Trekt men over eenige plaats b eenen parallel-cirkel
b"ab, dan snijdt deze alle meridianen zoodanig dat de bogen van
dezen tusschen den aequator en den parallel-cirkel gelijk zijn. De
meridiaanboog b B, gelegen tusschen den aequator en den parallelcirkel
van b, geeft in graden de aardrijkskundige breedte van die plaats. De
breedte van eone plaats b is dus ook gelijk aan den hoek bMB,
dien de verticaal bM van die plaats met het vlak van den aequator
maakt. — Ligt eene plaats b ten noorden van den aequator, dan
heeft zij noorder-breedte, en ligt eene plaats c ten zuiden van den
aequator, dan heeft zij suider-breedte. — De grootste breedte is
blijkbaar 90°, en plaatsen onder den aequator hebben geen breedte.
Het punt A, waar de eerste mericjiaan den aequator snijdt, heeft
noch lengte noch breedte. — Dewijl nu dc breedte ta van eene
plaats t, fig. 15, gelijk is aan den hoek AMT, dien de verticaal
TM van die plaats mctjiet vlak van den aequator AA' maakt, en
deze hoek blijkbaar gelijk is aan den hoek NMP of de poolshoogte
voor die plaats t, zoo is de breedte van eene plaats gelijk aan hare
poolshoogte.
27. Afplatting van de Aarde. Indien de Aarde volkomen
bolrond was, dan zouden de meridianen allen cirkels moeten zijn,
en alle breedte-graden op dezelfden meridiaan zonden gelijke lengte
moeten hebben. Newton beweerde op natuurkundige gronden, die
wij nader zullen leeren kennen, dat zij aan de polen eenigermate
afgeplat moet zijn, of liever dat van de Aarde de lijn, die hare