Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
16
snijdt, zijn de polen van de Aarde, en wel is p de noordpool en p'
de zuidpool van de Aarde.
24. mekidiinen, aequator cu parallelen op de aarde. De
cirkel ÏPN, fig. 15, die door den top T en door de pool P van den
hemel gaat, is de meridiaan of middagcirkel (9) voor de plaats t.
Het vlak van deze meridiaan of het meridiaanvlak snijdt de Aarde
in het middelpunt M, en volgens den cirkel tpnp'. Deze cirkel
gaat door de polen p en p' van de Aarde, en omdat voorplaatsen,
die op dien cirkel liggen, dezelfde ster gelijktijkig zal culmineren (9),
zoo worden die cirkels, welke de Aarde volgens de polen snijden,
ook meridianen, of middagcirkels genoemd. — Elke plaats op de
Aarde heeft haar eigen meridiaan.
Het vlak AOA'W, dat in M regthoekig op de as PP' des hemels
staat, is het aequatoriaalvlak en de cirkel AOA'W, volgens welken
dat vlak het hemelgewelf snijdt, de aequator des hemels (14). Dat
vlak snijdt de Aarde volgens den grooten cirkel aoa'w, en deze cirkel
wordt de aequator der Aarde of evenachtslijn genoemd, omdat, zoo
als uit (14) blijkt, voor plaatsen, welke op dien cirkel liggen,
de dagbogen van alle sterren halve cirkels zijn, zoodat zij allen
even lang onder als boven den horizon blijven. Bij de zeelieden
wordt deze cirkelomtrek, die van beide polen even ver of een kwart
middagcirkel verwijderd is, ook linie, genoemd. — Elke cirkel, die
op het oppervlak van de Aarde evenwijdig aan den aequator loopt,
wordt parallel-cirkel genoemd. Elke plaats op de Aarde heeft haar
eigen parallel, en de parallelen zijn kleine cirkels, die blijkbaar
kleiner zijn, naarmate zij digter bij de polen liggen. De aequator
is de grootste parallel en een groote cirkel van den bol, — Trekt
men uit M door eene plaats a, fig. 14, en haar toppunt A de verticaal
MA, dan zal deze, als zij met de as PP' denzelfden hoek blijft maken,
bij eene omwenteling om de as aan het hemelgewelf den parallel ABC
en op de oppervlakte der Aarde den parallel abc beschrijven. De pa-
rallelen aan het hemelgewelf stemmen dus met die vau de Aarde
overeen.
25. Streekbepaling op de Aarde. De ware horizon is even-
wijdig aan den schijnbaren, en nu kan men ligt nagaan dat in
fig. 15 N het Noorden, en Z het Zuiden van den horizon zal zijn,
als P de noordpool en P' de zuidpool des hemels is. Daar nu de
lijn zn in de lijn ZN ligt, die van het Zuiden naar het Noorden