Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
100 zal de verticaal op eenig punt van iiet oppervlak der Aarde
loodregt op de horizontale in haar raakpunt met de Aarde staan.
Verlengt men deze verticaal, dan moet zij door het middelpunt van
den bol gaan. Laat nu, in fig. 12, AM en BM twee zulke ver-
lengde verticale lijnen zijn, dan snijden deze elkander in het mid-
delpunt M van de Aarde. Meet men nu de hoeken MAB en MBA ,
dan zal men bevinden, dat hunne som kleiner dan 180° is. Het
supplement van die som is dus de hoek AMB, en deze hoek geeft
derhalve de graden van den boog ab. — Kent men nu tevens de
lengte van den boog ab, dan wordt de omtrek van de Aarde gemak-
kelijk berekend. Is namelijk g het aantal graden van deu boogab,
zijne lengte a en de omtrek der Aarde P, dan heeft men :
g" : 360° = a : O, of
O =
9
Op die wijze kan men vrij naauwkeurige resultaten verkrijgen,
althans als de Aarde volkomen bolvormig is.
3°. Is M, fig. 13, het middelpunt der Aarde, en van eenige
plaats a op haar oppervlak T het toppunt, dan is, als P de Noord-
pool des hemels is, ÏP de toppuntsafstand van de pool. Begeeft
men zich nu van a in noordelijke rigting naar a', dan is het top-
punt van T naar T' verplaatst, en de boog TT' of het verschil
der toppuntsafstanden TP en T'P, bevat dan evenveel graden als
de boog aa'. "Weet men dus voor twee plaatsen, die zuiver
noordelijk van elkander liggen de toppuntsafstanden van de pool,
dan weet men hoeveel graden de boog aa' tusschen die plaatsen
bevat. Meet men nu weder den afstand van die plaatsen, dan zal
men op gelijke wijze als hierboven den omtrek der Aarde in de rig-
ting van het Noorden door het Zuiden kunnen berekenen.
i". Gaat eenige ster door de toppunten A en B, fig. 14, van
twee plaatsen a en b, en is P de pool des hemels, dan zal men uit
den tijd, die er tusschen het culmineren van die ster op die plaat-
sen verloopt, kunnen nagaan, welk gedeelte de boog AB van den
parallelcirkel ABC is. De boog ab zal dan een gelijknamig deel
van den kleinen cirkel abc zijn. Wordt nu de boog ab gemeten,
d«,n kan men ook den] omtrek van eenen kleinen cirkel abc van den
Aardbol berekenen.
5°. Bevindt men zich in a' zoodanig op het oppervlak der Aarde