Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
liet duidelijk dat ook in die rigting de oppervlakte der Aarde bol-
vormig gebogen is. T)e Aarde heeft dus een bolronden vorm.
21. Andere bewijzen voor de boleondb gedaante der aardé.
De veelvuldige reizen om de Aarde hebben nergens eenen kant doen
ontdekken, waar zijvlakken van het oppervlak der Aarde eenen
hoek vormen ; maar overal op den oceaan was de buiging gelijk-
matig. Op het land is dit eveneens het geval: want, zoo als wij
weldra zullen zien, maken de bergen en dalen, die ons groot toe-
schijnen , ten opzigte van het ligchaam der Aarde, slechts kleine
oneffenheden uit. — De berekeningen der zeevarenden zijn gegrond
■op de bolvormige gedaante der Aarde, en die berekeningen feilen
niet. — De schaduw der Aarde, bij eene maaneklips op de Maan
geworpen, heeft altijd eenen ronden vorm. — De rigting van twee
verticale lijnen maken voor twee verschillende plaatsen bij gelijke
afstanden steeds denzelfden hoek; zij loopen nooit evenwijdig, zoo
ilat iedere plaats zijn eigen horizon heeft. — Dit alles bewijst ten
duidelijkste dat de aarde den vorm van een kogel moet hebben.
22. Grootte der Aarde, afgeleid uit verschillende waar-
nemingen. 1°. Indien men uit eenig punt O boven het oppervlak
der Aarde naauwkeurig den straal OB van het gezigtsveld, fig. 11,
kon bepalen, dan zou men door eene eenvoudige meetkunstige be-
rekening de grootte van de middellijn der Aarde kunnen bepalen.
Immers is, als OC door het middelpunt M van den bol gaat, en
als wij deze middellijn AC = x stellen, terwijl OA = A en OB = a is
OB» = OA X OC, of
«'= h {x + i),
= Ax + h',
hx — cf — If, waaruit
o' — h
Daar nu OB in de werkelijkheid weinig van AB zal verschillen,
en men door meting onderzoeken kan, hoever men van eene hoogte van
een bepaald aantal ellen op het oppervlak der Aarde kan zien, zoo
is de berekening van de middellijn der Aarde hoogst eenvoudig.
Deze handelwijze is echter, zoo als men ligt kan nagaan, verre van
naauwkeurig.
2°. Daar iedere plaats op het oppervlak der Aarde haar eigen
horizon heeft, en de horizontale lijn eene raaklijn aan den bol is,