Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
12
het hemelgewelf snijden, heet de kim. De hoek, dien de schijnbare
horizon OH met de gezigtsliju Ob, welke het oppervlak der Aarde
raakt, vormt, of de hoek HOb, is de kimiuiking of depressie van de
kim. Deze is ook in alle rigtingen voor een bepaald standpunt dezelfde.
Bij een hooger gelegen standpunt zal zij grooter zijn. Hieruit blijkt
dus ook, dat de oppervlakte der Aarde gelijkmatig gebogen is.
20. Bolvokmige gedaante der aabde, afgeleid uit waaene-
mikgen aan het hemelgewelf. Als wij ous Op de Aarde meer
noordelijk begeven, dan zien wij de hoogte van de pool des hemels
of de poolshoogte (8) meer en meer toenemen, en het aantal cir-
cumpolaire sterren (9) vermeerderen, terwijl dat der op- en onder-
gaande sterren vermindert. Hoe meer men noordwaarts gaat des te
meer nadert de pool het zenith;' maar sterren, die men op onze
eerste standplaats laag aan den zuidelijken kant des hemels kleine
bogen zag beschrijven, zijn onder den horizon voor goed verdwenen.
Hadden wij ons echter meer zuidwaarts begeven, dan zou de-pools-
hoogte verminderen, het aantal der circumpolaire sterren zou afne-
men; maar aan den zuidelijken hemel zouden telkens nieuwe, vroeger
niet geziene sterren opdagen. Eindelijk zelfs zou de Noordpool
des hemels verdwijnen, en de Zuidpool zou zich boven den zuide-
lijken horizon verheffen. — Uit alle waarnemingen, overal op het
oppervlak der Aarde gedaan , blijkt dus duidelijk dat hare oppervlakte
van het Noorden naar het Zuiden gebogen is. — En die buiging
is overal gelijkmatig: want overal zal men op alle plaatsen, die 20
uren gaans noordelijker dan anderen liggen, zien dat de poolshoogte
1 graad grooter is dan daar. — Blijkbaar is dus het oppervlak der
Aarde van het Noorden naar het Zuiden of in de rigting van de
middaglijn (9) bolvormig gebogen.
Ook in de rigting van West naar Oost kan men zich van dien
gebogen vorm van het oppervlak der Aarde overtuigen. Neemt meu
toch eenige plaatsen, bij welken een zelfde ster door het zenith gaat,
dan zal men op meer oostelijk gelegene plaatsen die ster eerder
zien opkomen dan op de anderen, terwijl zij daar eerder zal zijn
ondergegaan. En daar dit overal het geval zal zijn, zoo is het
duidelijk dat de oppervlakte der Aarde in de rigting der parallelen,
die de sterren beschrijven, mede gebogen is. En daar bij gelijke
afstanden, onder denzelfden parallel, het verschil in dezen tijd van
opkomst of van culminatie (9) van eene ster overal gelijk is, zoo is