Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
beneden dien liorizon hebben, in welke rigting zij ook mogen ge-
legen zijn. Ook zonden dan van eene belangrijke hoogte alle voor-
werpen gezien worden, als geprojecteerd tegen het oppervlak der
Aarde, zoo als «it fig. 9 blijkt: want als AB de rigting van het
vlakke gedeelte van het aardoppervlak was, en het oog bevond zich
in O, dan zou men de verhevene punten a en b in a' en b' op
het oppervlak der Aarde geprojecteerd zien. Dit is echtpr het geval
geenszins, in welke rigting en waar men zijne waarnemingen moge
nemen. — Hieruit volgt gereedelijk, dat de oppervlakte der Aarde
gebogen moet zijn. Nogtans zullen wij meer [bepaald dien gebogen
vorm nagaan, en den kogelvorm der Aarde bewijzen.
19. Bolkonde vohm der aarde, blijkbaar uii waarnemingen
op haar oppekvlak. KiM, kimduiking. Bevindt men zich op een
verheven punt aan den oever der 'zee of op de zee, dan ziet meu
nabijzijnde voorwerpen op haar oppervlak geheel geprojecteerd, an-
deren ziet men geheel, als zwevende tusschen het oppervlak der
Aarde en het hemelgewelf, en nog verder verwijderden zijn als beneden
het oppervlak van de Aarde gedeeltelijk weggedoken. Dit nu kan,
zoo als in fig. 10 blijkt, niet anders dan bij eenen bollen vorm
plaats hebben. Zoo ziet men, als AB de gebogene oppervlakte in
eene bepaalde rigting voorstelt, en het oog zich in O bevindt, het
voorwerp bij a geheel op het aardoppervlak geprojecteerd, het voor-
werp bij b geheel boven dat oppervlak zweven, en het voorwerp bij
c gedeeltelijk onder de gezigtslijn Ob weggedoken. Voorwerpen van
gelijke hoogte zullen, bij nog grootere verwijdering uit O, niet
gezien kunnen worden. — Al de voorwerpen binnen den gezigts-
kring, die uit O met de lijn Ob beschreven kan worden, zijn zigt-
baar, die daar buiten liggen zijn geheel of gedeeltelijk onzigtbaar,
zelfs voor het best gewapende oog. — Waar niets het vrije uitzigt
belemmert, is die gezigtskring overal ongeveer even groot, en overal
op de Aarde doet zich hetzelfde verschijnsel voor, zoodat de opper-
vlakte der Aarde in alle rigtingen op gelijke wijze gebogen is en
dus bolvormig moet zijn. Hoe hooger men zich verheft des te
verder ook breidt zich de gezigtskring uit naar alle kanten, en ook
dit pleit voor de bolvormigheid der Aarde.
De gezigtslijn Ob, die uit O het oppervlak der Aarde raakt,
snijdt, verlengd zijnde, het hemelgewelf. De kring, waarin al die
raaklijnen, die uit O aan het oppervlak der Aarde getrokken worden,