Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
]0
cr elk uur één onder den meridiaan zal verschoven worden. Is de
boog Dl, fig. 8 , dus K-maal één 24'" deel van den omtrek des
aequators, dan is de hoek DPI gelijk aan «-maal één 24"" deel
van 360° of gelijk aan »-maal 15°. Zooveel malen als de hoek TPS
dus 15° bevat, even zooveel uren duurt het nog eer dc ster cul-
mineert. — Uit de graden van den uurhoek kan men dus den tijd
tot de naaste culminatie, of ook den stand van den declinatie-cirkel
van eene ster bepalen, en omgekeerd kan men uit deu tijd, die er
na eene culminatie verloopen is, den uurhoek bepalen.
Deu sterredag zou men van de culminatie van eene willekeurige
ster kunnen beginnen te tellen, maar de sterrekundigen laten dien
beginnen met de culminatie van een bepaald punt in den aequator,
dat lentepunt genoemd wordt, cn waarover wij nader spreken.
17. Regik opklimming. Dat lentepunt ligt, zoo als wij zeiden,
in den aequator. De hoek, dien de declinatie-cirkel van het lente-
punt maakt met den declinatie-cirkel van eenige ster, heet van dat
punt af, in oostelijke rigting rondgaande, de regte opklimming of
rectascensie vau die ster. Was dus, in fig. 8, P de noordpool des
hemels, D het lentepunt, PSI de declinatie-cirkel van eene ster S,
en Dl een gedeelte vau den aequator, dan is hoek DPS, die gelijk
aan deu boog Dl is, de regte opklimming van de ster S. Men
zou dus ook kunnen zeggen, dat de regte opklimming de boog van
den aequator is, die in oostelijke rigting van liet lentepunt tot aan
den declinatie-cirkel van eenige ster gaat.
Dat door de regte opklimming bekend wordt, hoe lang eene ster
na het lentepunt culmineert, en dat de stand van eene ster door
hare regte opklimming Dl en hare declinatie SI bepaald is, behoeft
niet verder aangetoond te worden.
2. GEDAANTE EN GROOTTE VAN DE AARDE.
18. Gebogen oppervlak dek Aakde. De oppervlakte der Aarde
moet uit platte of gebogen vlakken bestaati. Bestond zij uit platte
vlakken, dan zou men in eenig verheven pnnt boven dat oppervlak,
bij voorbeeld op eenen toren, voorwerpen, die gelijke hoogte hadden,
met hunne toppen in den schijnbaren horizon zien liggen. Nog-
tans is dit geenszins het geval met voorwerpen, die op eenigen
afstand verwijderd zijn, maar al die voorwerpen zullen hunne toppen