Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-335
maar met afnemende sterkte waarneemt. Men Leeft daarbij op-
gemerkt dat, indien op eenige plaats de grootste afwijking voor-
komt, op plaatsen, die 90° oostelijker of westelijker liggen, die
storende afwijking bijna niet waargenomen zal worden, en op
plaatsen, die 180° in lengte met de eerste verschillen, zal de
storende afwijking juist aan den tegengestelden kant een maximum
hebben.
Tot de behandelde onregelmatige afwijkingen of storingen moeten
echter niet de geregelde veranderingen in de declinatie gerekend
worden, welke men op bepaalde tijden van den dag waarneemt.
In deze streken toch is de afwijking van de magneetnaald des
morgens omstreeks acht ure het grootst aan de oostzijde van den
magnetischen meridiaan, en omstreeks twee ure na den middag is
de afwijking dagelijks het grootst aan de westzijde. — De amplitude,
of de hoek, dien de magneetnaald van hare grootste oostelijke tot
hare grootste westelijke afwijking doorloopt, bedraagt in onze stre-
ken minder dan één vierde graad, is op grooteren afstand van den
aequator jjooter, en op minderen afstand van de linie geringer.
Op het zuidelijke halfrond is de dagelijksche afwijking van de
magneetnaald op hetzelfde tijdstip juist tegengesteld aan de afwij-
king, die op eenige plaats van ongeveer gelijke lengte in het noor-
delijke halfrond waargenomen wordt. — De amplitude is bij ons in
den zomer het grootst en bedraagt in den winter slechts vijf a zeven
minuten.
Behalve deze storingen en geregelde dagelijksche afwijkingen is
de declinatie op eenige plaats geenszins standvastig, maar aau eene
langzame verandering onderhevig. In onze streken, waar de decli-
natie thans 18 a 19 graden westelijk is, is zij aan het afnemen:
want eenige jaren vroeger was zij grooter en omstreeks 1814 was
zij het grootst en wel omstreeks 22° 30'. In het jaar 1600 was de
declinatie omstreeks 9° 30' oostelijk, na dien tijd nam de oostelijke
declinatie af om omstreeks 1665 westelijk te worden. Van dien
tijd af nam de westelijke declinatie toe tot 181é. Na dien tijd is
zij dus aan het afnemen, — en gaat de verandering , die in een jaar
gemiddeld ongeveer 6^^ minuut bedraagt, op gelijke wijze voort, dan
zal omstreeks de helft van de volgende eeuw de declinatie bij ons 0° zijn,
waarna zij weder oostelijk zal worden. — Dergelijke verandering in
de declinatie wordt ook elders waargenomen. Zoo was bijv. de