Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
234
in verband met den invloed, welken de Aarde op haar uitoefent.
Die invloed doet zieh vooral kennen in het rigten van de magneet-
naald, waarbij wij dan op declinatie en inclinatie te letten hebben,
en hoe dezen afhangen van de intensiteit van de mign eetkraeht
der Aarde (•). — Wij zullen hier de hypothesen niet nagaan,
die hieromtrent bestaan, maar znllen eenvoudig de verschillende
verschijnselen, die wij aan de magneetnaald waarnemen, leeren
kennen.
149. Declikatie van de maqnbetnaaxd. — Een magneetnaald,
welke in haar zwaartepunt ondersteund is, en zóó vrij op eene ver-
ticale spits draaijen kan, wijst bij ons met hare noordpool naar het noor-
delijke gedeelte van den horizon. De hoek, dien hare rigljing met het
vlak van den middagcirkel maakt, wordt de declinatie van de mag-
neetnaald genoemd. — Wij zullen ons hier niet inlaten met de
methoden, welke aangewend worden om de declinatie van de mag-
neetnaald voor eenige plaats volkomen zuiver te bepalen, maar
bepalen ons alleen tot de verschijnselen, die daarbij worden
waargenomen.
Op sommige plaatsen heeft de magneetnaald geene declinatie,
op andere is die westelijk en op andere weder oostelijk. — De
declinatie is echter voor eene bepaalde plaats niet standvastig. De
rigting, in welke de magneetnaald wijst, heet de magnetische meri-
diaan eener plaats. In den loop van eenen dag wijkt deze meridiaan
nu oost- dan westwaarts van zijnen gemiddelden stand af. — Deze
storingen doen zich op verschillende plaatsen bijna in gelijken zin voor ,
zoodat voor plaatsen van gelijke lengte in het noordelijk halfrond,
bij de afwijkingen eene zekere overeenstemming bestaat, die tot
het besluit leidt, dat niet enkel plaatselijke oorzaken hier in
werking zijn.
In het zuidelijk halfrond schijnen op plaatsen van gelijke lengte
op hetzelfde oogenblik de afwijkingen juist tegengesteld' te zijn. —
Liggen daar plaatsen op ongeveer gelijke breedte, dan heeft er even-
eens overeenstemming in afwijking plaats, maar wel zóó dat men,
indien op eenige plaats eene sterke storing plaats heeft, op ooste-
lijker en westelijker gelegene plaatsen afwijkingen in gelijke rigting,
(•) Steyn Parvé, Natuurknnde, bladï. 462.