Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-220
komen vele tusschenvormeu voor. Zoo is de vederige hoopwolk,
cirro-eumulus, een overgang tusscben de veder- en hoopwolk, be-
kend onder den naam van schaapjes. Bestaat de vederwolk uit
doorloopende streepen, dan is het eene vederige laagwolk, cirro-
stratus. Is de hoopwolk streepig, dan wordt zij cumulo-stratus ge-
noemd , en bedekt zij den geheelen horizon met eenen blaauwzwarten
slnijer, dan wordt zij een regenwolk of nimbus genoemd.
De hjopwolken ontstaan doorgaans door de opstijgende dampen,
die in hoogere en koudere luchtlagen verdigten. Daarom vormen
zij zich dikwijls tegen den middag, al is ook de Zon helder opge-
gaan, en tegen den avond dalen zij weder, komen in warmere lucht
en verdwijnen, zoodat de hemel weder helder wordt. Voert echter
bij ons de zuidwestenwind nog meer waterdamp aan, dan kunnen
de dalende wolken niet meer verdwijnen, de hoopwolk gaat in
cumulo-stratus over en de regen is ophanden, dewijl de dampblaas-
jes zich tot droppels vereenigen, en zoo den regen vormen, welke
aanvankelijk uit kleinere droppels bestaat, die echter in den val
zich met nieuwe dampblaasjes vereenigende, grooter worden.
139. Hoeveelheid eegen. Om te bepalen hoeveel regen in den
loop van een jaar op eenige plaats valt, heeft men een werktuig
dat regenmeter, vdometer of ombrometer genoemd wordt. Het is een
vat in den vorm van een parallelepipedum, hetwelk eenen even
wijden bak draagt, in welks bodem eene opening is. Het in-
vallende regenwater komt in het vat, en door een peilglas, d. i.
door eene glazen buis, die van onderen met het water in het vat
gemeenschap heeft en boven open is, kan men de hoogte van het
water in het vat afmeten. Gaat men op die wijze voor een geheel
jaar na hoe hoog het water in het vat zou gerezen zijn, dan weet
men hoe hoog de regen het oppervlak der Aarde zou hebben bedekt,
als hij niet in den grond gezonken noch verdampt was.
De hoeveelheid regen, die in een jaar valt, is voor verschillende
plaatsen zeer verschillend. De hoogte, op welke het regenwater na
één jaar zou staan, bedraagt voor Nederland gemiddeld ruim 6 palm.
In andere landen is dit meer of minder. Vooral heeft de aardrijks-
kundige ligging van eenige plaats op de hoeveelheid regen, die er
valt, grooten invloed. In den regel is de nabijheid van de zee, en
de ligging in bergstreeken zeer bevorderlijk aan den regenval. Op
dezelfde plaats neemt echter met toenemende hoogte de hoeveelheid