Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-218
Spant men boven een grasperk, op ongeveer een el hoogte, een doek
horizontaal uit, dan zal daardoor de uitstraling van het gras tegen-
gegaan worden, want de warmte kan niet vrij uitstralen, 'maar wordt
door het doek eenigzins tegengehouden. Onder het doek blijven het
gras en de lucht dus warmer dan daar, waar het doek niet is, zoo-
dat het gras onder het doek vrij van dauw blijft.
Op gelijke wijze werkt eene betrokkene lucht de uitstraling tegen,
zoodat het bij eene bewolkte lucht niet dauwt.
De bedenking, of de dauw uit de lucht niet even als de regen
neêr valt, kan ook weêrsproken worden door de volgende proef.
Men neemt eenen wijden hollen van aarde gebakken cilinder, die
van boven open is en omstreeks een el hoogte heeft, plaatst dezen
op den grond en legt er een handvol wol in. Legt men nu eene
gelijke hoeveelheid wol buiten den cilinder op den grond, dan zal
men na eenen nacht, in welken het dauwde, kunnen nagaan dat de
wol buiten den cilinder veel meer vocht ontvangen heeft dan de
andere hoeveelheid, hetwelk toch niet kon plaats hebben, als de
dauw even als de regen neêr viel.
Somwijlen is de afkoeling van de Aarde en van de onderste lucht-
lagen na den ondergang der Zon zoo sterk, dat de damp in de
de onderste luchtlagen zoodanig verdigt, dat een nevel op de vel-
den schijnt te rusten.
Bij eenigzins sterken wind dauwt het niet, al is ook de lucht
helder, omdat de wind telkens warmere of droogere lucht aanvoert
of de neerslaande dampen wegvoert.
Bevriest de zich vormende dauw, d. i. koelen de ligchamen be-
neden 0° C. af, dan zetten zich fijne ijsnaaldjes op hunne opper-
vlakte , en dit noemt men rijp.
De nevel is verdigte waterdamp, die als kleine belletjes in de
lucht zweeft. Hij kan op verschillende wijzen ontstaan. — Wordt
de lucht, die veel waterdamp bevat, beneden het dauwpunt afge-
koeld, dan ontstaat de nevel, die als kleine dampbelletjes nedervalt.
Is de lucht bijna met damp verzadigd, en stijgt van den vochtigen
bodem en van wateren, die warmer dan de lucht zijn nog water-
damp op, dan wordt de lucht meer dan verzadigd, zoodat de dampen
zich moeten verdigten en den nevel vormen. — Daarom komen in
den herfst de nevels veelal voor, want de lucht is dan tengevolge
van hare lage temperatuur zeer vochtig, en de Aarde, die nog ten