Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-217
en zelden regen aanbrengt. — In Zuid-Amerika en 'West-Indiën
brengen de Noordoost- en Zuidoostpassaat aan de oostzijde veel
waterdamp aan, en daarom is het aan de oostelijke landen van Zuid-
Amerika veel voehtiger dan aan de westzijde. Zoo ook brengt de
Zuidoostpassaat in het Oosten van Afrika en het Zuiden van Azië
mede vochtige lucht aan.
138. Dauw, hup, nevel, wolken en eegen. Wanneer meu nit
een koud vertrek een glas koud water in een warm vertrek brengt, dan
zal dit glas onmiddellijk beslaan, d. i. er zullen zich dampdeeltjes,
die in de lucht onzigtbaar aanwezig waren, op de oppervlakte van
het glas in verdigten toestand nederzetten, omdat door het glas de
lucht, die het omgeeft, zoo zeer afgekoeld wordt, dat hare tempe-
ratuur het dauwpunt bereikt, zoodat de damp begint te verdigten.
Hetzelfde verschijnsel zal men waarnemen, als men op eenen war-
men dag een glas koud water uit eenen koelen kelder in de vrije
lucht brengt. — Op gelijke wijze beslaan de glasruiten iu een ver-
warmd vertrek als het buiten kouder is. De koude glasruiten koe-
len de lucht in hare nabijheid zoozeer af, dat dc lucht den water-
damp in verdigten toestand aan de glasruit afgeeft. — Al deze
verschijnselen zijn geheel overeenkomstig met hetgeen men dauw
noemt.
De sterke uitstraling van warmte, welke bij de voorwerpen op de
Aarde in heldere stille nachten plaats heeft, maakt dat die voor-
werpen kouder worden; de onderste luchtlagen ondergaan evenzeer
eene verlaging van temperatuur, verkrijgen daardoor eenen warmte-
graad, die niet meer voldoende is om den vroeger opgenomen' wa-
terdamp te bevatten, deze verdigt zich dus, daalt en zet zich op
planten, steenen; en andere voorwerpen aan het oppervlak van de
Aarde en zelfs op den grond als kleine droppels neêr, die wij dauw-
droppels noemen. — De ongelijke uitstraling der verschillende lig-
chamen maakt dat niet allen dezelfde lage temperatuur bereiken, en
dat dus niet allen even sterk de dauwvorming bevorderen, zoodat
door den dauw het eene voorwerp natter dan het andere wordt.
Gras en bladeren koelen sterk af en worden daarom zeer sterk met
dauw bedekt, te meer nog omdat zij vrij in de lucht opsteken, en
dus weinig warmte van den grond overnemen. Zij zullen dus door
den dauw natter worden dan de naakte bodem.
Alles, wat de uitstraling verhindert, werkt de dauwvorming tegen.