Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-216
stroomen ontstaan, welke de dampen mede voeren, zoodat de water-
damp in de onderste luehtlagen minder wordt. Deze vermindering
duurt voort tot 4 ure des namiddags, daarna neemt de hoeveelheid
damp in de onderste luchtlagen weder toe tot 9 ure des avonds.
Na dien tijd wordt door de daling van de temperatuur de damp-
vorming tegengehouden. Zóó is het in den zomer. In den winter
echter is de werking van de Zon minder krachtig. In Jannarij be-
vat de lacht om 2 ure het meest, en omstreeks zonsondergang het
minst waterdamp. — Zoo is dan ten opzigte van het dauwpunt de
lucht ten tijde van zonsopgang het vochtigst, ofschoon het water-
gehalte in de lucht dan het minst is, en omstreeks 3 ure des na-
middags is zij in den zomer het droogst.
Op hooge bergen is de afwisseling in de hoeveelheid damp, welke
de lucht bevat, geheel anders, daar de opstijgende luchtstroom den
waterdamp opwaarts voert. Daar heeft dus de toeneming van wa-
terdamp plaats tot den middag, waarna de damp meer daalt en dus
de lucht weder minder waterdamp bevat.
Zoo is ook in Januarij het minst waterdamp in de lucht bevat.
Tot Julij neemt die hoeveelheid toe, om daarna weder af te nemen.
Nogtans is in de wintermaanden de lucht gemiddeld vochtiger dan
in den zomer, omdat dan het dauwpunt lager ligt.
De vochtigheid der lucht is naar de aardrijkskundige ligging der
plaatsen zeer verschillend, en is afhankelijk van de temperatuur en
den rijkdom van water. Hoe warmer het ergens is, en hoe meer
water in eene streek aanwezig is des te meer damp zal de lucht
ontvangen. Zoo moet dan de watermassa in de lucht bij den aequa-
tor meer wezen dan op plaatsen van hoogere breedte, en aan de
zee meer dan in de binnenlanden. Daarom is ook in de binnen-
landen de lucht steeds helderder dan aau de zee.
Op den vochtigheidstoestand van de lucht heeft de wind ook
eenen belangrijken invloed. Zoo is tengevolge van de zuidwesten-
winden, die veelal in den Noorder Atlantischen Oceaan waaijen, de
lucht in het Westen van Europa veel vochtiger dan aan de oostkust
van Noord-Amerika, omdat die wind, over de zee komende, in
Europa waterdamp aanbrengt. De zuidwestenwinden van den Grooten
Oceaan bereiken de oostkust van Noord-Amerika eerst na over een
uitgestrekt vast land en over hooge bergen getrokken te zijn en
veel vochtigheid verloren te hebben, zoodat daar die wind droog is