Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
2-12
warmte verandert de bij zuidoosten- en zuidenwind vallende sneenw-
met den zuidwestenwind in regen."
Niet altijd beeft de draaijing van den wind, zooals wij boven zei-
den, zoo bepaald in dien zin plaats. Het terugspringen van den
wind heeft echter bij ons meer aan de west- dan aan de oostzijde
van den horizon plaats. Een geheele omdraaijing in tegengestelden
zin, namelijk van het Zuiden naar het Oosten, Noorden en Westen,,
wordt in Europa hoogst zelden waargenomen.
De verklaring van de draaijing van den wind komt hoofdzakelijk
hier op neêr: Zooals bij de passaatwinden opgemerkt is, wordt de
van het Noorden komende luchtstroom ten gevolge van de asbewe-
ging een noordoostenwind. Blijft deze noordelijke stroom aanhou-
den, dan gaat de wind in eenen oostenwind over. Dringt nn een
stroom van den aequator naar de polen, dan wordt de oostenwind in
zuidoosten en eindelijk in zuidenwind veranderd. Blijft de strooming
van den aeqnator af aanhouden, dan neemt deze wind ten gevolge van
de asbeweging de rigting uit het zuidwesten, en door den invloed
der asbeweging gaat hij in westenwind over. Nu begint de noor-
denwind naar den aequator te stroomen, en doet, met den westenwind
vereenigd, eenen noordwestenwind ontstaan. Blijft de strooming naar
den aeqnator aanhouden, dan gaat de wind eindelijk in noordenwind
over. — Hieruit nu is het gemakkelijk na te gaan, wanneer de wind
zal terug springen, en hoe de wet van winddraaijing op het zuide-
lijke halfrond is.
134. Heete winden. Den grootsten invloed op de temperatuur'
van de benedenste luchtlagen wordt uitgeoefend door de warmte van
de oppervlakte van de Aarde. Is de bodem naakt en steenachtig
dan neemt hij meer warmte op dan daar, waar hij met een plan-
tenkleed bedekt is en nog meer dan daar, waar zich ijs- en sneeuw-
velden uitstrekken. Daarom hebben in onze streeken de noorden- en
noordoostenwinden, die over de ijs- en sneeuwvelden van het noorden
komen eene veel lagere temperatuur dan de meer zuidelijke winden.
Ook de zeewinden zijn in den regel koeler dan de landwinden, om-
dat het land meer warmte opneemt dan de zee, en omdat boven
de zee veel warmte door de verdamping van het water gebonden
wordt.
Uit een en ander blijkt dat winden, die uit tropische woestijnen
komen, of over streeken waaijen, waar een naakte bodem sterk door