Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-211
In het Westen van Europa komen gemiddeld de meeste zuidwes-
ten-winden voor, en in den Atlantisehen Oceaan tusschen Europa
en Amerika zijn die winden de heerschende. Deze zuidwestenwind
is, warm en bevat veel waterdamp, die zich als regen ontlast, zoodat
de massa lucht, die daardoor, na afgekoeld en van eene groote hoe-
veelheid waterdamp bevrijd te zijn, veel in volume verminderd is
als zij in de noordelijke strecken aankomt, zoodat om het even-
wigt te herstellen eene geringere hoeveelheid koude lucht, hoofd-
zakelijk als noordoostenwind over het land naar den evenaar terug
keert.
Dove, een duitsch natuurkundige, die zich onder anderen op de
kennis van de verschijnselen in den dampkring toelegde, heeft eene
wet voor de draaijing van den wind op hoogere breedten vastge-
steld. — Volgens hem komt in den regel de windrigting in deze
volgorde voor:
Zuid, Zuidwest, West, Noordwest, Noord, Noordoost, Oost,
Zuidoost en Zuid, zoodat de wind in den regel in gelijken zin om
loopt als de Zon.
In den winter is die omloop het regelmatigst, doch in andere
jaargetijden springt de wind, om zoo te zeggen, menigmaal terug.
Dove schetst het beloop van den wind aldus:
„Als de zuidwestenwind, altijd sterker waaijende, eindelijk volko-
men doorgedrongen is, rijst de temperatuur boven het vriespunt;
het kan daarom niet meer sneeuwen, maar het regent, terwijl de
barometer zijnen laagsten stand bereikt. Nu draait de wind naar
het Westen, en de digte sneeuwvlokken doen even goed den inval-
lenden kouderen wind kennen, als zulks door het ryzen van den
barometer, door de windvaan en den thermometer geschiedt. Met
noordenwind heldert de hemel op, met noordoostenwind komt het
maximum van koude en de hoogste barometerstand voor. Langzaam
echter begint de barometerstand minder te worden, en fijne veder-
wolkjes (cirri) toonen door de rigting van hun ontstaan den inval-
lenden meer zuidelijken wind aau, dien de barometer reeds bemerkt,
ofschoon de windvaan nog niets daarvan weet en nog rustig uit
het Oosten wijst. Maar altijd bepaalder verdringt de zuidelijke wind
den oostenwind van boven af terug; bij het dalen van het kwik-
zilver in den barometer wijst de windvaan uit het Zuidoosten; de
hemel betrekt langzamerhand meer en meer, en met toenemende
14*