Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-210
het zuidelijke halfrond een noordwestpassaat waaijen, — en dat dit
werkelijk zoo is blijkt nit verschillende waarnemingen.
Deze bovenste passaatstroom, ten gevolge van meerdere afkoeling
van de lucht meer en meer dalende, nadert in de gematigde zonen
meer de oppervlakte van de zee, zoodat daar in het noordelijke
halfrond zuidwestenwinden en in het zuidelijke halfrond noordwesten-
winden veelal voorkomen.
Boven den gordel der windstilten, of daar waar de beide bovenste
passaatstroomen van elkander scheiden, moet de wind geregeld uit
het Oosten waaijen, want de opstijgende lucht heeft minder snelheid
van beweging in oostelijke rigting dan de hoogere luchtlagen; zij
blijft dus bij deze achter en komt als een oostelijke stroom voor.
In de Indische Zee heeft de vorm van het vaste land van Azië
eenen belangrijken invloed op de rigting van den passaatwind. Ter-
wijl tusschen Nieuw-Holland en Madagascar de zuidoostpassaat be-
stendig gevoeld wordt, waait in het noordelijke deel van de Indische
Zee gedurende de eene helft van het jaar bestendig een zuidwesten-
en in de andere helft een noordoostenwind. Deze regelmatig afwis-
selende winden worden moussons genoemd.
Staat in ons winterhalfjaar de Zon ten Zuiden van den aequator,
dan wordt het zuidelijke deel van de Indische Zee sterk verwarmd,
en alle gegevens zijn dus aanwezig om op het vaste land van Azië
den noordoostpassaat te doen waaijen. Wordt in ons zomerhalQaar
dat land sterk verwarmd, dan moet de lucht van de zee nabij den
evenaar stroomen naar plaatsen van grootere breedten, en deze
wind neemt derhalve eene rigting uit het Zuidwesten aan. — Ook
in Opper-Guinea en aan de westkust van Zuid-Amerika, van 5°
zuiderbreedte tot aan de landengte van Panama, neemt men eene
dergelijke afwisseling van den wind, doch op kleinere schaal, waar.
133. Winden op hoogere breedten. Uit het aangevoerde volgt
dat buiten de streek der passaten, ten Noorden van den aequator,
de bovenstroom of zuidwestenwind het oppervlak der Aarde genaderd
is, terwijl de onderste stroom of noordoostenwind naast deze moet
bestaan om lucht naar den aequator te voeren. Beide stroomen
loopen dus naast elkander en zoeken elkander te overweldigen. Nu
eens behoudt daar de noordoosten- en dan de zuidwestenwind de
overhand, en bij gelijke sterkte van beiden komen de in alle rig-
tingen ronddraaijende of veranderlijke winden voor.