Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-209
ben leeren kennen. — Deze passaatwinden doen zieK in de ge-
noemde streeken over de geheele Aarde gevoelen, hunne grenzen
zijn echter aan eenige verandering onderhevig, die van de jaarge-
tijden afhangt.
De zuidelijke grens van den zuidoostpassaat is weinig veranderlijk.
Zijn noordelijke grens is, als het bij ons winter of lente is, ongeveer
, en in onzen zomer en herfst ongeveer graad noorderbreedte,
en dns gemiddeld ongeveer 3 graden noorderbreedte.
De zuidelijke grens van den noordoostpassaat is, als het bij ons
winter of lente is, omstreeks 5|, in onzen zomer en in onzen
herfst 10 graden noorderbreedte, of gemiddeld omstreeks 8 graden
noorderbreedte.
De noordelijke grens van den noordoostpassaat is in onzen winter
, in onzen lente 28, in onzen zomer 30^, in onzen herfst 28.^^
graad noorderbreedte, of gemiddeld omstreeks 28 graden noorder-
breedte.
Ofschoon nu deze passaatwinden vrij bestendig in die streeken op
den oceaan aangetroffen worden, zoo doen zij zich toch eerst goed
op eenigen afstand van de kust op de zee gevoelen.
De windstilte wordt in den gordel tusschen d? beide passaten
afgebroken door hevige stormen, die door de dagelijks vallende slag-
regens en door de hevige onweders veroorzaakt worden. De zonne-
warmte doet toch in die streeken eene belangrijke massa water in
damp over gaan. Deze damp koelt in de hoogere luchtlagen snel
af, en stort weder als regen neder, zoodat dien ten gevolge de
drukking van den dampkring eene belangrijke wijziging ondergaat
(131), die den storm in het anders stille gebied der windstilten doet
ontstaan.
De lucht, die in de keerkringsgewesten ten gevolge van de ver-
warming door de Zon opstijgt, wijkt op zekere hoogte noordelijk en
zuidelijk af en vormt dus boven de benedenste passaten een stroom,
die steeds naar de polen gerigt is, en mede als passaatwind kan
beschouwd worden. De asbeweging van de Aarde maakt echter dat
deze stroom sneller naar het Oosten beweegt dan de landen op hoo-
gere breedten, boven welke hij henen gaat, zoodat het daar schijnt
dat deze stroom naar het Oosten gerigt is. Deze rigting, gevoegd
bij de voortstuwing, die de luchtmassa naar de polen ondergaat, doet
dus in de hoogte voor het noordelijke halfrond een zuidwest- en in
1-}.