Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-208
Oceaaa v^m omstreeks 25° zuiderbreedte, en in de Indische Zee
van omstreeks 28° zuiderbreedte gestadig een zuidoostenwind, die
nader bij den evenaar in oostenwind overgaat. — De passaatwind
van het zuidelijke halfrond doet zich tot op ongeveer 3° noorder-
breedte gevoelen. — Tusschen het gebied van den noordelijken en den
zuidelijken passaatwind vindt men van omstreeks 3 tot omstreeks 8
graden noorderbreedte het gebied der icindstilie, zoodat dit gebied
gevonden wordt ter plaatse, waar beide passaatwinden anders teza-
men in eenen oostenwind zouden overgegaan zijn.
De oorzaak vau genoemde luchtstroomen, welker naauwkeurige
kennis, gepaard met die van de stroomingen in den oceaan, van
het grootste belang is voor de scheepvaart, en ter verklaring van
vele meteorologische verschijnselen dient, laat zich gemakkelijk aan-
wijzen. In de nabijheid vau den evenaar stijgt ten gevolge van de
sterke verhitting van de dampkringslucht gestadig een belangrijke
luchtmassa op. De lucht ten Noorden en ten Zuiden van dezen
gordel stroomt langs het oppervlak der Aarde toe om het evenwigt
te herstellen. Stond nu de Aarde stil, dan zou in het noordelijke
halfrond bestendig ecu luchtstroom uit het Noorden en in het zui-
delijke halfrond bestendig een luchtstroom uit het Zuiden naar die
streek waaijen. Dewijl nu echter de luchtmassa, als een geheel met
den aardbol uit makende, in de beweging van het Westen naai- het
Oosten deelt, en die asbeweging op grootere breedten minder snel is
dau op geringere breedten, zoo zal eene luchtmassa, op eene noor-
delijke plaats, ten gevolge van de asbeweging oostelijk gaan, en
ten gevolge vau de zuiging naar de linie zuidelijk trekken. Deze
luchtstroom, de linie naderende, behoudt zijne snelheid in oostelijke
rigting', maar komt op plaatsen, die eene grootere snelheid van
beweging in gelijke rigting hebben, zoodat die luchtmassa in oos-
telijke rigting minder snel vooruitgaat dan eene plaats nabij de
linie, waar zij aankomt, en öp die plaats zal zich dus de lucht-
stroom, als uit het Oosten komende, doen gevoelen. De lucht-
stroom , die dus nabij de linie komt, heeft ten gevolge van zijne
beweging naar het Zuiden en naar het Westen eene rigting, die
tusschen het Noorden en het Oosten ligt. — Om gelijke reden zal
ten Zuiden van den evenaar de wind waaijen uit eene streek, die
tusschen het Zuiden en het Oosten ligt. — Hier liggen dus de-
zelfde bewegingswetten ten grondslag, die wij in 28 onder 4° Leb-