Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-203
De niet periodieke afwisselingen in den stand des barometers ziju
veel grooter dan de periodieke. Neemt men de gemiddelde laagste
en de gemiddelde hoogste standen voor eenige plaats, dan zal men
zien dat het verschil zeer belangrijk kan zijn, cn dat het in den
winter grooter is dan in den zomer en eveuzoo in koudere landen
belangrijker dan iu warme. Het gemiddeld verschil over al de
maanden van het jaar geeft bijv. te Batavia slechts ongeveer '6 streep,
te Calcutta 8,3 streep, op Madeira T-ü,'! streep, te Montpellier 18
streep, te Weenen 20,5 streep, te Parijs 23,0 streep, te Berlijn 25,2
streep, te Londen 27,9 streep, te Petersburg 29,2 streep, te Chris-
tiania 33 streep.
Hoe hooger eene plaats boven het oppervlak der zee gelegen is
des te geringer zal de afwisseling iu barometerstand zijn.
' 130, OoKZ.aklin voor be wijziginü in de drukking der lucjit.
De naaste oorzaken voor de veranderlijkheid in de drukking van do
lucht moeten gezocht worden in de ongelijke verwarming der lucht
cii de ongelijke hoeveelheid waterdamp, die zij bevat. De lucht,
die door warmte uitzet en soortelijk ligter Wordt, stijgt dien
ten gevolge op plaatsen aan het oppervlak der Aarde, waar zij
sterk verwarmd wordt, op. Hooger komende wordt zij in koudere
streeken weêr verdigt, doch, uit hare plaats gedreven door nieuwe
opstijgende luchtmassa's, zoo moet zij zijdelings uitwijken en zich
plaatsen boven de luchtlagen, die grensden aan diegenen, van waar de
opstijging plaats had. De koudere luchtlagen aau het oppervlak der
Aarde zullen om de ruimte aan te vullen, die door de opstijgende
lucht ontruimd is, toestroomen, maar daar zij toestroomende op
warmere plaatsen komt cn dus uitzet, en bovendien daar zij voort-
bewegende aau het oppervlak der Aarde tegenstand ontmoet, zoo
zal dc massa , die aau den onderkant op zekere plaats wegstroomt,
minder zijn dan de massa, die zich in de hoogte bo\;en die plaats
zal nederzetten, zoodat de drukking van de lucht op de warmere
plaats lager moet zijn dan op de naastbijgelegene koudere. — De
ongelijke verwarming der lucht aan het oppervlak der Aarde moet
dus den barometerstand gedurig doen veranderen.
Hieruit volgt dat een warme luchtstroom aau het oppervlak der
Aarde in het algemeen met een dalen, en eeu koude luchtstroom
met een rijzen van den barometer in verband zal staan: want de
warme stroom opstijgende plaatst zich elders boven de koudere lucht,