Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-198
weeg gebragt, maar'vermelden liever de verklaring, die door ande-
ren van het ontstaan der aardbevingen gegeven wordt.
Onder de oppervlakte van de Aarde treft men zeer groote holen
aan, die of ledig of met water gevuld zijn. De vochtigheid, welke
dit water aan de hooger liggende berglaag mede deelt, en ook de
in den grond dringende vochtigheid uit den dampkring ontneemt
aan die berglaag den koolzuren kalk en het gips, die zij bevat. Daar-
door ontstaat dan een losworden eu verbrokkelen van de berglaag,
en het nederstorten van groote blokken doet in het water zulk eene
geweldige golving ontstaan, dat de hooger liggende aardlaag in die
beweging deelt.
Hoe dit ook zij, de aardbevingen moeten uit de golvende bewe-
ging van eenige vloeistof, die onder de oppervlakte der Aarde aan-
wezig is ontstaan, dewijl zij anders zulk eene groote uitgestrektheid
niet hebben konden.
De warme bronnen, even als de vulkanen, doen ons besluiten
dat er diep in den bodem eene belangrijke warmtebron aanwezig
moet zijn. Hoe meer men de polen nadert, of hoe hooger eene
bron ligt des te geringer is in den regel hare warmte.
Het water kan op verschillende wijzen in eene bron opstijgen.
De meest gewone opstijging heeft plaats ten gevolge van hydrosta-
tische drukking. Het dampkringswater dringt namelijk in den grond ,
treft kanalen of vergaarplaatsen aan, waar het tusschen ondoordring-
bare lagen ingesloten wordt, en het zal, zoo het ergens een kanaal
aantreft, dat naar boven voert, in dat kanaal opstijgen en zich aan
de oppervlakte der Aarde als bron vertoonen. Heeft dit water nu
eene belangrijke diepte bereikt, waar eene hooge temperatuur heerscht,
dan komt het verwarmd aan de oppervlakte, en vormt een warme
bron, welker water op sommige plaatsen do kookhitte nabij komt,
en minerale zelfstandigheden bevat.
Eene bron kan ook ontstaan ten gevolge vau de spanning, die
gassen of waterdamp onder den grond ten gevolge der inwendige
aardwarmte kunnen verkrijgen. — Stelt men zich eene onderaardsche
ruimte of ketel voor, die gedeeltelijk met water gevuld is, terwijl
een kanaal of tuit van onder de oppervlakte van het water naar de
oppervlakte van de Aarde voert, en neemt meu aau dat eene hooge
temperatuur van' den grond het water doet verdampen, zoodat
het bovengedeelte van den onderaardschen ketel met waterdamp ge-