Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-196
den'Zuid-Atlantisclien Driftstroom omgebogen, oostwaarts gaande den
Zuidelijken - Verbindingsstroom, die ten Zuiden van den Kaapstroo m
oostwaarts gaat.
Wij bepalen ons hier tot deze hoofdstroomeu in den Oceaan eu
de oppervlakkige verklaring daarvan. De naauwkeurige kennis van
de stroomen in den Oceaan en hare verklaring is echter eene zeer
ingewikkelde zaak, omdat verschillende omstandigheden die stroomen
schijnen te beheerschen. Bovendieu is het zeker dat op vele plaatsen
in den Oceaan de stroom aan de oppervlakte eene andere rigting
heeft dan op eenige diepte. — De kennis van de zeestroomingen in
verband met die van de heerschende winden helpt menig meteoro-
logisch verschijnsel verklaren, en geeft vooral rekenschap van de
kromming der isothermen (121).
127. Warmte op verschillende diepten in de aarde. Indien
men op eenige plaats van de Aarde de diepte bepaald heeft, waarop
de jaarlijksche temperatuur aan geene veranderingen meer onder-
worpen is, zal men op eene grootere diepte eene hoogere tempera-
tuur waarnemen.
In verschillende mijuen cn bij putboringen heeft meu dit verschijn-
sel waargenomen, en bevonden dat gemiddeld de temperatuur voor
elke 30 el diepte 1° C. rijst. Was deze wet, wat nogtans niet be-
wezen is, naauwkeurig, dan zou men op omstreeks 3000 el diepte
de warmte van kokend water moeten aantreffen, terwijl op nog
grootere diepten temperaturen zouden heerschcn, die alle metalen
en andere vaste ligchamen vloeibaar zouden maken, zoodat volgens
die wet het inwendige der Aarde eene gloeijende vloeibare massa
zou zijn. De aardkorst, die deze gloeijende vloeibare massa omsluit,
heeft, zooals men gemakkelijk door berekening kan bepalen in ver-
gelijking van den straal der Aarde, slechts eene geringe dikte; maar
het warmtegeleidend vermogen van die korst is zoo gering dat de
afkoeling van de aardkern daardoor tegengehouden wordt.
Geologen bouwen op deze hypothese hunne theorie vau de vervorming,
die het oppervlak der Aarde heeft ondergaan, eu nemen aan dat zij
geheel gloeijend vloeibaar geweest is, allengs door afkoeling met
eene korst overtogen werd, die in dikte gaandeweg toenam en ten
gevolge van verschillende omwentelingen de oppervlakte der Aarde
van gedaante deed veranderen.
Verschillende omstandigheden schijnen voor deze meening te plei-