Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
dan heeft zij geene hoogte (6). Hoe verder de ster S in de pa-
rallel BB' voortgaat, des te grooter zal hare hoogte SH' boven den
horizon worden, tot dat zij in B, op dc helft van den dagboog
bBb' haar hoogste pnnt bereikt heeft. Dat punt B ligt dus in den
verticaalcirkel HTH", die door de pool P gaat. Deze verticaal-
cirkel wordt meridiaan of middagcirkel genoemd. Hij deelt de dag-
bogen van alle sterren midden door. In fig. 2 is dus HTPH'' een
meridiaan, terwijl de lijn HH', volgens welke het meridiaanvlak
den horizon snijdt, meridiaan of middaglijn genoemd wordt. — Tiet
punt B, waar eenige ster door den meridiaan gaat, heet het culmi-
natie-punt, en de ster wordt gezegd in dat punt te culmineren.
Eene ster echter, die in B door den meridiaan gaat, zal ook
aan het tegenovergestelde punt B' van hare parallel door liet meri-
diaanvlak gaan en dus weder culmineren. Het culminatie-punt B
boven den horizon is het zigtbare, en het culminatiepunt B' beneden
den horizon is het onzigtbare culminatiepunt. — Liggen voor eenige
ster de beide culminatiepunten A en A' boven den horizon, dan
wordt A het hoogste en A' het laagste culminatiepunt genoemd.
10. Streken vfn den horizon. Stelt men op den horizon
NH2, fig. 3, een verticaal vlak OTW, zoodanig dat het met het
meridiaanvlak NPTZ regte hoeken vormt, dan snijden de middaglijn
NZ en de doorsnede OW, volgens welke het vlak OTW den horizon
snijdt, elkander regthoekig. De omtrek van den horizon is dan in
de punten N, O, Z en W in vier gelijke deelen gedeeld. Het
pnnt N, als het digtst bij de Noordpool P liggende, heet het
Noorden, Z het Zuiden, O het Oosten en W het Wetten.
Om de rigting, volgens welke het vlak van den verticaal van eenige
ster den horizon snijdt, ,of ook om de rigting van het standpunt M
eens waarnemers tot een ander punt in den horizon aan te geven, heeft
men den omtrek van den cirkel, volgens welken de horizon het
hemelgewelf snijdt, in eenige gelijke deelen verdeeld, zoodat tusschen
de streken Noord, Oost, ^Zuid en West nog anderen gebragt zijn.
Wordt die cirkelomtrek in 3>2 gelijke deelen verdeeld, dan maken de
opvolgende streeklijnen, die van M naar die deelpunten getrokken
worden, met elkander hoeken van 560° : 32 = 11°15'. Zulk een
hoek wordt een geheele streek genoemd. De opvolgende streken zijn
van het Noorden door het Oosten omgaande met verkortingen ge.
schreven: