Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
193
zoo schijnt men toch te kunnen aannemen dat het maximum van digt-
lieid, dat bij zuiver water op eene temperatuur van é'C. voorkomt (*),
bij het zeewater lager ligt.
In de meeren laat zich veel zekerder het verschijnsel verklaren ,
dat omtrent de temperatuur van het water wordt waargenomen. H oe
zeer die in den winter aan de oppervlakte bevriezen kunnen en in
den zomer eene temperatuur van 20 a 25° C. bereiken, zoo neemt
men op grootere diepten gedurende het geheele jaar eene standvas-
tige temperatuur van omstreeks 4° C. waar. — In den zomer wordeu
de bovenste lagen tot zekere diepte verwarmd, maar de benedenste
koudere en daarom digtere lagen blijven hare zelfde temperatuur
behouden. — In deu winter koelen de bovenste lagen af tot op
4° C., en bereiken het digtheidsmaximum. Het bovenste water daalt
en wordt aan de oppervlakte vervangen door warmer water uit de
diepte, dat op nieuw afkoelt, daalt en door warmer water vervangen
wordt, totdat eindelijk al het water de temperatuur van 4° C. heeft.
Dan worden bij lagere temperatuur de bovenste lagen ligter, blijven
aan de oppervlakte, koelen tot aan en beneden het vriespunt af eu
bevriezen. Het bevriezen geschiedt dus van boven af.
Uit het behandelde volgt dat ondiepe wateren, onder overigens
gelijke omstandigheden, sneller kunnen bevriezen dan diepe wateren.
In de rivieren is, ten gevolge van dc aanhoudende beweging eu
het vermengen van de verschillende waterdeelen, hetwelk door de
ongelijke snelheid vau strooming op de verschillende punten van het
dwarsprofil der rivier bevorderd wordt, het verschijnsel geheel anders.
Men ziet daar doorgaans dat het water door de vaste voorwerpen
van den oever en op den bodem warmte verliest, tot het vriespunt
afkoelt en vast wordt. Het ijs vormt zich dus hoofdzakelijk aau den
oever en op deu bodem. Het laatste, dat onder den naam van
(jroiidijs bekend is, en even als alle ijs soortelijk ligter dau water
is, komt naar de oppervlakte, brengt zelfs voorwerpen, aan welke
het zich heeft vastgehecht, mede naar boven, en spoedig is de rivier
met drijfijs bedekt.
126. Sthoomingen in den Oceaan. De belangrijke hoeveelheid
water, die de zeeën in de keerkringsgewesten door verdamping ver-
(*) Steyu Parvé, Natuurkunde, bladz. 266.
•13