Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-192
streek van Amerika reeds op eene diepte van 6 meters eene standvastige
temperatuur aangetroffen, terwijl in Midden-Europa op eene diepte
van omstreeks 25 meters geen verandering in temperatuur merkbaar is.
In den winter bevriezen bij ons eerst de bovenste aardlagen en
daarna de dieper gelegene. Ontdooit echter de grond weêr dan zijn
ook de bovenste lagen eerder ontdooid dan de lagere, zoodat dan
somwijlen op eene diepte van een of meer voeten de grond bevrozen
is, terwijl de bovenste laag reeds ontdooid is. In streken, waar de
gemiddelde jaartemperatuur beneden 0° C. is, zal daarom de grond
op eenige diepte steeds bevrozen zijn. Zoo is te Jakutzk de gemid-
delde jaartemperatuur — 9,7° C., de zomerwarmte is er voldoende
voor den graanbouw, en toch is er de grond op eenige diepte steeds
bevrozen. Bij het graven van een put vond men daar op 15 el
diepte eene temperatuur van —7°C., op 36 el diepte was zij — 5°C.
en op 110 el diepte was zij nog — 1°C.
De temperatuur der zeeën is zeer verschillend. De afwisseling in
digtheid en in zoutgehalte, gevoegd bij de velerlei stroomingen in den
Oceaan maken dat het zeewater op sommige plaatsen beneden warmer
dan boven en op andere plaatsen boven warnier dan beneden is.
Aan de oppervlakte van de zee is het verschil tnsschen de hoogste
en laagste temperatuur van eenigen dag zeer gering: in de keer-
kringslanden bedraagt dit 1 a 2 graden, en van 25 tot 30 graden
breedte beloopt dat verschil 2 a 3 graden.
De onderste luchtlagen zijn somtijds warmer dan het water aan de
oppervlakte van de zee, maar gemiddeld is de temperatuur van de lucht
lager, en op hoogere breedten is de lucht altijd kouder dan de zee.
Op grootere diepten schijnt de temperatuur toe te nemen in de
poolzeeën, af te nemen in de keerkringszeeën. Zoo heeft men in
de keerkringszeeën bijv. aan de oppervlakte van het water eene tem-
peratuur van 24 a 27° C. en op eene diepte van 2000 a 2200 el
eene temperatuur van 2,8 a 3,2° C. —, terwijl in de gematigde
luchtstreek die temperatuur reeds op geringere diepte wordt aange-
troffen. In de poolzeeën, waar de temperatuur aan de oppervlakte
niet boven 0° gaat, had men op eene diepte van omstreeks 1200 el
eene temperatuur van 2 a 3°C.
Ofschoon nu de onderzoekingen aangaande dit onderwerp niet ge-
noeg feiten aangeven om eene volledige verklaring van dit verschijn-
sel , ook in verband met de stroomingen van den Oceaan te geven,