Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
191
Zelfs in warme landen is die nachtelijke uitstraling belangrijk ge-
noeg om onder gunstige omstandigheden water te doen bevriezen.
Vlakke schotels met water worden tusschen lage aardwallen geplaatst,
nadat de grond tusschen die wallen met eene laag stroo bedekt is.
Bij helder en stil weder vindt men het water 's morgens in ijs ver-
anderd. De nachtelijke uitstraling heeft het water beneden het vries-
punt doen afkoelen, en het stroo, als slechte warmtegeleider, diende
om te beletten dat de grond zijne warmte aan het water mededeelde.
Waait het echter dan heeft er geen ijsvórming plaats.
125. Temperatuur van den bodem, de zeebn, meeren en
bivieren. De temperatuur van den bodem is natuurlijk in de eerste
plaats afhankelijk van de insolatie, zoodat zij in de keerkringslanden
hooger zal zijn dan elders. Bovendien heeft de gesteldheid van den
grond, waardoor zijn warmte opslorpend vermogen gewijzigd wordt,
daarop eenen grooten invloed. Een met gras en planten bedekte grond
zal des daags minder warmte opnemen, des nachts meer warmte uit-
stralen en dus koeler zijn dan een naakte, zandige en steenachtige
grond. Zoo ook is een drooge bodem warmer dan een natte, dewijl
de laatste voor de verdamping van het nat warmte behoeft, die -de
drooge bodem anders kan opnemen, en zoo ook wordt bij een be-
groeiden bodem door de verdamping van het water in de planten
warmte gebonden, die dus niet aan den grond kan medegedeeld
worden. Zoo ook is het in bosschen koel, dewijl de zonnestralen
daar schaars doordringen, en de lucht, die ten gevolge van de uit-
damping der bladeren bij de toppen der boomen afkoelt, doet een
koude stroom naar beneden ontstaan.
De bodem is 'een slechte warmte-geleider, zoodat de warmte
van de bovenste lagen zich zeer langzaam aan de lager gelegene
lagen mededeelt. Daarentegen zullen echter de bovenste lagen
spoediger kunnen afkoelen dan de onderste lagen. De afwisseling in
temperatuur zal dus op eenige diepte in den grond veel geringer zijn
dan aan de oppervlakte. — Uit verschillende waarnemingen is ge-
bleken dat de temperatuurverandering in eenen dag op eene ge-
ringe diepte reeds onmerkbaar is, en dat de jaarlijksche tem-
peratuurverandering op eenigzins grootere diepte evenzeer verdwijnt.
Hoe minder wijziging er in de luchttemperatuur wordt waargeno-
men des te ondieper zal het punt gelegen zijn, waar de jaarlijksche
afwisseling in temperatuur ophoudt. Zoo wordt in de heete lucht-