Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-185
Jakutsk een gemiddelde jaartemperatuur van — 8,25° C., en toch
worden daar granen verbouwd, omdat de gemiddelde temperatuur
van de drie zomermaanden omstreeks 20° C. bedraagt.
In het algemeen zal aan de zeeën de sneeuwgrens lager liggen
dan in het binnenland op gelijke breedte, omdat op de eerste plaat-
sen de lucht vochtiger is en derhalve meer sneeuw aanbrengt, zoe-
dat er meer zonnewarmte noodig is om die te smelten. Daarvan
komt het dat zij aan de kust in Noorwegen en op IJsland zooveel
lager ligt dan op gelijke breedte in het binnenland van Noorwegen.
En zoo hebben andere omstandigheden op de hoogte van de grens
van de eeuwige sneeuw invloed.
In de dalen, tusschen hooge bergruggen, verzamelt zich des win-
ters door het afglijden langs de wanden der bergen en door den
wind eene belangrijke massa sneeuw, die door de zomerwarmte niet
kan gesmolten worden. Loopt zulk een dal naauwer wordende hel-
lend af, dan zal deze sneeuwmassa, die op de hoogere plaatsen
telken winter aangroeit, eu des zomers gedeeltelijk in zijne lagere
deelen gesmolten wordt, langzaam afglijden en eenen ^WscAer vormen.
Door dat smelten en weder bevriezen wordt de sneeuwmassa in eene
soort van fijn gekorreld ijs, firn genaamd, veranderd. Deze met
water gedrenkte en weder bevrozen sneeuw neemt door nogmaals
gedeeltelijk dooijen en bevriezen meer de werkelijke gedaante van
ijs aan, doch het blijft altijd korrelig. Aan het laagste gedeelte
van den gletscher zijn die korrels bij het verbreken van de massa
zoo groot als eeue noot, hooger op als eene erwt, terwijl de firn
als zand gekorreld is. — De geheele gletscher wordt of door zijn
eigen gewigt, of door de massa firn aan zijn boveneinde langzaam
nederwaarts gedreven. Het schijnt daarbij dat het ijs als eene taaije
vloeistof voortgaat, die in het midden de grootste snelheid heeft,
en aan de kanten door de wrijving tegen de rotswanden vertraging-
ondervindt, en zoo komt het dat het gletschcrijs vele scheuren eu
kloven kan hebben. — De gletscherbeweging is afhankelijk van ver-
schillende omstandigheden. Des zomers is_ die het sterkst, naarmate
de gletscher aan den voet meer wegsmelt.
Deze gletschers treft men vooral aan in de Alpen, op het Hima-
laya gebergte, op IJsland, Groenland en Spitsbergen, op welke laatst-
genoemde eilanden zij zich tot in zee uitstrekken.
De gletschers hebben echter met de sneeuwgrens niets gemeens.