Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-181
Neemt men op eenige plaats de temperatuur van uur tot uur of
om de twee uren gedurende eenen dag waar, en deelt men de som
der waargenomene temperatuOrgraden door het getal waarnemingen,
dan heeft men de gemiddelde temperatuur van dien dag. Bij die
waarnemingen is gebleken dat de temperatuur in den regel kort
voor de opkomst der Zon begint te stijgen tot omstreeks 2 uren
na den middag, en na dien tijd tot tegen de opkomst der Zon af-
neemt. Het toe- en afnemen van de warmte gaat doorgaans eerst snel
en daarna langzamer. — Het verschil tusschen de laagste en hoogste
temperatuur van eenigen dag is in de zomermaanden grooter dan in
de wintermaanden, en is afhankelijk van de aardrijkskundige breedte.
Deelt men voor eenige plaats de som van de gemiddelde tempe-
ratuurgraden vau alle dagen van eene maand door het getal da-
gen , dan verkrijgt meu de gemiddelde temperatuur voor die maand.
Deelt men verder de som van de gemiddelde temperatuurgraden
van alle maanden door 12, dan verkrijgt men de gemiddelde tempe-
ratuur van het jaar.
Neemt dien die temperaturen over eenige jaren, zoowel de gemid-
delde temperaturen van bepaalde dagen als die van bepaalde maan-
den en die van de jaren, cn deelt de som door het getal jaren,
dan zal men de algemeene middenterm voor de temperatuur van den
dag, van de maand en van het jaar vinden.
119. Temperatuur in hoogere luchtlagen. Ofschoon de hoogere
luchtlagen digter bij de Zon zijn dan die, welke bij het oppervlak
der Aarde liggen, zoodatjzij regtstrceks meer verwarmd zouden
kunnen worden, zoo is hare temperatuur in den regel toch lager
dan die van lager gelegene luchtingen. Dit komt, zooals reeds uit
(117) blijkt, dat dc lagere luchtlagen tweemalen door de zonnestra-
len verwarmd worden, namelijk eerst door'de invallende en daarna
door de aan de oppervlakte der Aarde teruggekaatste stralen, maar
vooral de gedurige aanraking met het verwarmde oppervlak der Aarde
doet hare temperatuur stijgen. Intusschen zijn de onderste luchtlagen
digter dan de hoogere, en zij hebben daarom minder warmte-capaciteit,
d. i. zij kunnen minder warmte verbergen, of hoe digter de lucht
is des te meer zal eene zekere hoeveelheid warmte de temperatuur
doen stijgen. Hoe meer warmte de lucht echter opneemt des te
meer zal zij uitzetten, soortelijk ligter worden en stijgen. Maar
met die uitzetting wordt haar vermogen om warmte tc binden groo-