Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
179
vlakte, maken liet verloop dier verschijnselen zeer onregelmatig, ter-
wijl een bewolkte of onbewolkte hemel daarop mede eenen belang-
rijken invloed uitoefent. De verwarming van den grond en van den
dampkring, aan het oppervlak der Aarde, hangt vooral af van de
rigting der zonnestralen, en daar die rigting van dag tot dag en
van oogenblik tot oogenblik verandert, zoo heeft men op eenige
plaats niet alleen eene gestadige afwisseling van de temperatuur voor
de uren van den dag, maar ook voor de dagen van het jaar.
De Aarde ontvangt over dag warmte van de Zon, maar door uit-
straling verliest zij die weder, zoo zelfs dat de temperatuur van den
grond daardoor gemiddeld niet hooger of lager wordt, en de Aarde
dus, door elkander gerekend, evenveel warmte uitstraalt als zij van
de Zon ontvangt. — De grootste verwarming verkrijgen de Aarde
en de dampkringslucht in de streken tnsschen de keerkringen, ter-
wijl die naar de polen meer en meer afneemt. — In den regel
neemt de warmte in de morgenuren toe om in de namiddaguren af
te nemen, zoodat in eenen dag eerst de aanvoer van warmte grooter
is dan de uitstraling, terwijl daarna 4e uitstraling meer wordt dan
de aanvoer van warmte.
In (37) hebben wij reeds aangetoond hoe het oppervlak der Aarde
ten gevolge van de insolatie, in vijf zonen verdeeld wordt. Was nu
het oppervlak der Aarde overal eveneens gevormd, dan zouden plaat-
sen, welke onder denzelfden parrallelcirkel liggen, gemiddeld dezelfde
warmte zoo voor den bodem als voor de onderste luchtlagen moe-
ten hebben, doeh om de boven reeds gemelde redenen is dit geens-
zins het geval, zooals wij nader zien zullen.
De verandering van den stand der Zon, ten opzigte van eenige
plaats in den loop van een jaar, veroorzaakt, zooals wij in (38)
gezien hebben, de afwisseling der jaargetijden.
Hoe meer de zonnestralen loodregt vallen, des te warmer moet het
op eene plaats zijn: want de Aarde en de onderste luchtlagan zijn
dan niet alleen het sterkst aan de zonnestralen blootgesteld, maar
de teruggekaatste warmtestralen gaan weder door dezelfde reeds
verwarmde luchtlaag om haar op dezelfde plaats op nieuw warmte
af te geven. Daarom is het in de keerkringslanden warmer dan
elders, terwijl bovendien de weinige verandering in den stand der
Zon geringe wijziging in de gemiddelde temperatuur der verschil-
lende maanden toelaat. Alleen door dat de nacht daar gelijk of
12'