Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
177
schemering, als A op den aequator ligt, in den tijd der aeqninoc-
tiën, zoolang duren als A noodig heeft om den boog AC te door-
loopen, of tot dat de Zon evenveel graden onder den horizon is als
de boog AC graden bevat. Trekken wij nu MB, dan is in den drie-
hoek AMB
ma
cos. AMB = .
MB
Daar nu MA of de straal der Aarde gelijk 40000 : 2n = 636G
mijlen en dus MB = 6446 mijlen is, zoo is
hoek AMB= 9° en dus
hoek AMC = 18°.
De schemering duurt dus tot dat de Zon 18° onder den horizon
is, en dit zal in de keerkringslanden, waar de dagboog bijna lood-
regt op den horizon staat, 1 uur en 12 minuten duren.
Wil men bepalen hoelang de schemering zal duren in den tijd
van het aequinoctium op plaatsen van grootere breedte, dan con-
struere men eenen cirkel MA, fig, 53, en beschrijve concentrisch
met dezen cirkels, welker stralen 0,985, 0,940, 0,866, 0,766,
0,643, 0,500, 0,342 en 0,174 maal den straal van den cirkel MA
bevatten, dan zijn dit de omtrekken der breedte-cirkels van 10, 20,
30, 40, 50, 60, 70 en 80 graden, als namelijk de cirkel MA den
aequator voorstelt. — Nu is in den tijd van het aequinoctium de
schemering voor eene plaats onder de linie merkbaar tot dat de Zon
]8° onder den horizon is. Is dus de Zon voor A in deu horizon,
dan strekt zich de schemering uit tot B, als boog AB = 18° is.
Trekken wij nu uit B eene lijn Bb evenwijdig aan de middellijn Aa,
dan zal Bb voor eiken parallelcirkel aanwijzen, hoever van de snij-
punten in Aa de schemering zich zal uitstrekken. — Voor de cir-
kels, die op 10, 20, 30, 40, 50, 60, 70 en 80 graden breedte
liggen, zal men uit de figuur ongeveer kunnen nagaan, hoeveel
graden de boog in de schemering bevatten zal, of wil men liever
voor iederen boog de graden berekenen, dan heeft men, als de boog,
op een breedte van b graden, a graden in de schemering bevat, r
de straal van den aequator en r' de straal van den parallelcirkel
op b graden breedte is:
rsin. 18° = r'sin. a, of
r sin. 18° .. . , . ,
sin. a =--— , en wij vinden dan uit de
16