Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-176
Het hemelgewelf doet zich aan ons oog meer of minder blaauw
voor. In het toppunt schijnt het sterkste blaauw te zijn, dat naar
den horizon flaauwcr wordt. Op de toppen der hooge bergen schijnt
het hemelgewelf zwarter dan wanneer het uit de laagte gezien wordt.
In landen bij den aequator is de hemel blaanwer dan in landen van
grootere breedte, en in binnenlanden komt de hemel ons blaanwer
voor dan nabij de zee. Door de nevelachtigheid van de lucht, en dus
door de dampbelletjes wordt het blaauw des hemels bleekcr. Het
blaauw des hemels schijnt teruggekaatst licht te zijn. Zoo ook is het
teruggekaatste licht, dat ons van de wolken toeschijnt, wanneer de
lichtstralen bij het op- en ondergaan van de Zon eenen langen weg
door de digtere benedenste luchtlagen toezenden, oranje of rood,
evenzeer als de Zou en de Maan bij den horizon eene roode kleur
hebben. Beide verschijnsels, avond- en morgenrood, schijnen aan
eenen bijzonderen toestand van den in de lucht aanwezige waterdamp
te moeten worden toegeschreven.
116. De schemering. Voor de opkomst en den ondergang der
Zon bevinden wij ons niet dadelijk in het duister, maar het licht
neemt des morgens langzamerhand toe en neemt des avonds lang-
zamerhand af. Die overgang tusschen het daglicht en de duisterheid
van den nacht is de schemering.
Dit verschijnsel staat ongetwijfeld mede in verband met de onre-
gelmatige terugkaatsing in den dampkring, waardoor het licht dat
de bovenste luchtlagen nog ontvangen in alle rigtingen naar de
Aarde teruggekaatst wordt. Om na tc gaan hoelang hoogstens de
schemering duren kan, stellen wij dat, in fig. 52, de cirkel AM
de Aarde voorstelt, terwijl de buitenste cirkel van de figuur de
buitenste grens van den dampkring aangeeft, welker hoogte boven
de Aarde, zooals later blijken zal op 80 kilometers kan gesteld
worden. Als nu de Zon in Z is , dan zal zij voor A ondergaan,
maar hare stralen zullen, als wij de refractie buiten rekening laten,
eenig punt B van de bovenste laag van den dampkring treffen.
Nemen wij nu aan dat de straal ZB regelmatig terugkaatst, dan
moet zij de Aarde treffen bij C. Dewijl nu de luchtdeeltjes boven
ZB verlicht worden en licht terugkaatsen, zoo zullen de punten
tusschen AB en BC nog teruggekaatst licht ontvangen, en scheme-
ring hebben. Het punt C is dus het uiterste punt dat de scheme-
ring bemerken kan. Gaat nu voor A de Zon onder, dan zal de