Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-175
114. Lichtopslobping doob den dampkring. Wanneer een
lichtstraal door eenige middenstof gaat, dan verliest hij iets van zijne
sterkte. Dit is ook met den doorgang van lichtstralen door lucht
het geval. Zien wij eenig verlicht voorwerp, dan zal daarvan, als
wij ons er meer van verwijderen, niet alleen de gezigtshoek kleiner
worden, maar alles wordt minder duidelijk, de kleuren z^jn doifer,
de afscheiding tusschen licht en schaduw wordt niet zoo juist meer
gezien, — en dit is een gevolg van de onvolkomene doorzigtigheid
van de lucht.
Voor verschillende plaatsen kan die doorzigtigheid zeer verschil-
lend zijn, en op dezelfde plaats is zij aan belangrijke afwisseling
onderhevig. Wij bemerken dit aan torens van verwijderde plaatsen,
die wij somwijlen bqna niet en op andere tijden zeer duidelijk zien
kunnen.
Op de helderste dagen, als de hemel onbewolkt is, is de lucht
niet het meest doorzigtig, en verwijderde voorwerpen zijn dan door-
gaans onduidelijk te zien of met een bleekblaauwen sluijer omge-
ven. Vertoonen zij zich echter zeer duidelijk, dan volgt er doorgaans
spoedig regen, zoodat de waterdamp op de doorzigtigheid der lucht
eenen grooten invloed uitoefent. — In de keerkringslanden is de
lucht veel doorzigtiger dan bij ons, en de pracht van den sterren-
hemel, die van de doorzigtigheid van de atmospheer afhangt, is
daar rijker dan bij ons, dewijl kleine sterren, die aan ons oog zich
hier onttrekken, daar nog duidelijk gezien worden.
115. Daglicht, hemelsblaauw, avond- en mokgeneood. De
mindere doorzigtigheid van de dampkringslucht, die afhankelijk is
van de digtheid der lucht, dampblaasjes, stof en dergelijken, brengt
mede dat tegen die deeltjes, die geen spiegelende oppervlakken
hebben, de lichtstralen onregelmatig teruggekaatst worden, zoodat
er diffuus licht ontstaat. Die omstandigheid is de oorzaak van het
algemeene daglicht. Had die onregelmatige terugkaatsing in den
dampkring geen plaats, dan zouden alle plaatsen, die niet direct
door de zonnestralen verlicht werden, duister zijn, en in onze wo-
ningen zou het daglicht niet doordringen, wanneer de Zon niet
door de ramen scheen. — Teu gevolge van die terugkaatsing is het
ook dat bij dag het hemelgewelf zoo sterk verlicht is dat de sterren
onzigtbaar zijn, en zelfs het diffuse licht, dat de Maan in de
ruimte verspreid, vermindert den glans der sterren.