Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-174
grensd. Het meest doet zich de maanring van ongeveer 25° straal
voor. Komt deze kring bij de Zon voor dan is hij veelal door eene
horizontale lichte streep doorsneden, in welker rigting de Zon
ligt, en ter weerszijden van de Zon ziet men dan in den ring eene
sterk verlichte vlek, die bij- of nevenzon genoemd wordt. Somwijlen
wordt ook zulk een nevenzon aan de bovenzijde van den ring ge-
zien. Op gelijke wijze doen zich die verschijnselen bij de Maan
voor, zoodat er zich ook bij- of nevenmanen kunnen vertoonen.
De bijzonnen en bijmanen worden ook wel zonder de ringen aan.
getroffen. — Men meent deze ringen te moeten toeschrijven aan de
breking , die de lichtstralen ondergaan door kleine ijsprisma's die in
den dampkring aanwezig zijn, terwijl de streepen door eene terug-
kaatsing van de lichtstralen tegen de zijvlakken dier prisma's zouden
veroorzaakt worden.
113. Het vonkelen dek sterren. Meestal ziet men dat het
licht der vaste sterren bij afwisseling van kleur ook in helderheid
plotseling af- en toeneemt, zoodat het eene zekere flikkering ver-
toont, die het vonkelen of tintelen der sterren genoemd wordt. Bij
de planeten wordt dit bijna in het geheel niet waargenomen. — Men
verklaart dit verschijnsel, dat de pracht van den sterrenhemel ver-
hoogt, door aan te nemen dat twee lichtstralen, van eene vaste ster
uitgaande, ten gevolge van den ongelijken tegenstand, dien zij in den
dampkring ontmoeten, ongelijke snelheden verkrijgen. De tempera-
tuur, de vochtigheid, de digtheid van de lucht zijn in gestadige
afwisseling, zoodat de snelheid van beweging voor het licht aan
gestadige wijziging onderhevig is, waarom twee lichtstralen bij de
aankomst in het oog elkander ondersteunen of tegenwerken, hetwelk
volgens de theorie der golvingen kan gebeuren, als zij bij de aan-
komst gelijke golfbeweging hebben of een halve golf verschillen. —
Het witte licht der vaste sterren is echter even als het zonnelicht
zamengesteld uit verschillende gekleurde stralen, en daar de golf-
lengte voor de verschillend gekleurde stralen verschilt, zoo is het
duidelijk dat daardoor het verschil in golving nog grooter wordt,
en de tintelende lichtindruk ontstaan kan.
Het vonkelen der sterren heeft het sterkst plaats als het langen
tijd droog geweest en veel waterdamp in de atmospheer opgenomen
is, zoo dat dit verschijnsel wel als voorbode van op handen zijnden
regen aangemerkt wordt.