Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-173
de roode straleu de grootste afwijking 50°, terwijl dan voor de
violette stralen de afwijking ongeveer 53^° zal zijn. Die regenboog
zal dan eene breedte van 3^ graad hebben, het violet aan de bolle
zijde en het rood aan de holle zijde vertoonen. De ruimte tusschen
beide bogen is ongeveer 7| graad.
Tot hiertoe beschouwden wij alleen den weg, dien de lichtstralen
volgen, welke in eenen enkelen droppel gebroken en teruggekaatst
worden. Verschillende lichtstralen, die verschillende droppels onder
bijna gelijke hoeken treffen en dus schier evenwijdig invallen, zullen
ook iu bijna gelijke rigting den droppel verlaten en dus elkander
versterken. De lichtstralen, welke de droppels aan de bovenzijde
treffen, worden tweemaal gebroken en slechts éénmaal teruggekaatst.
Zij verliezen daarbij veel vau bare sterkte. — De lichtstralen, die
de droppels aan de onderzijde treffen, worden tweemaal gebroken
cn tweemaal teruggekaatst. Zij verliezen daarbij meer van hare
Sterlete. — De buitenste regenboog is dus altijd flaauwcr dan de
binnenste. — Uit het behandelde volgt, dat ecu regenboog gezien
kan worden, als wij, met den rug naar de Zon gekeerd, eene regen-
wolk voor ons zien, —dat voor verschillende standplaatsen de stand
van deu regenboog een andere is, — dat op eene verhevenheid van
den regenboog een grooter gedeelte zal gezien worden dan op de
vlakte, — dat bij ons in het zomerhalfjaar de regenboog alleen in
de morgen- en avonduren zigtbaar is, terwijl hij in het winterhalf-
jaar op elk uur van den dag kan voorkomen.
112. Kringen om de zon en de maan. Somwijlen ziet men, wan-
neer de hemel met eenen ligten nevelsluijer bedekt is, om de Zon en
de Maan grootere en kleinere gekleurde kringen. Bij de Zon worden
die minder goed gezien, omdat haar licht te verblindend is. Be-
schouwt men echter het zonnebeeld in stilstaand water, dan worden
die kringen duidelijker. — De kleine kringen, die de Zon of de
Maan omgeven, hebben aan de buitenzijde de roode kleur, en wor-
den waarschijnlijk veroorzaakt door de buiging der lichtstralen tus-
schen de kleine dampblaasjes in den dampkring. Immers het ver-
schijnsel komt geheel overeen met den lichtkrans, dien men om eenig
kunstlicht ziet, als men het door eenig zwakbewasemd glas beschouwt.
De grootere ringen, welker straal omstreeks 23 of 47 graden be-
draagt, schijnen door andere oorzaken te ontstaan. Bij dezen is.
het rood aan de binnenzijde, en de binnenrand is het scherpst be-