Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
■172
fig. 51, en dat een lichtstraal van S komende den ondersten drop.
pel a a^n de bovenzijde en een andere lichtstraal den bovensten
droppel aan de onderzijde treft, dan wijzen de lijnen den weg der
lichtstralen aan, die beiden bij O in het oog van den waarnemer
komen. Denkt meu zich nu door O en het middelpunt van de Zon
eene lijn OP getrokken, dan zullen de lijnen Oa en Ob, om OP om-
gewenteld , een kegelvlak beschrijven. In den omtrek van het grond-
vlak van die kegels liggen de droppels a en b, en dewijl de Zon
in de as van dien kegel ligt, zoo zullen lichtstralen, uit het middel-
punt van Zon, droppels, die in den omtrek van zulk eenen kegel liggen,
onder gelijke hoeken ontmoeten, en dus na breking en terugkaat-
sing, komen al die stralen in O of den top des kegels, zoodat men
in plaats van één lichtend punt door één droppel te weeg gebragt,
eenen lichtboog zal zien. Is nu de Zon in den horizon, dan zal,
zooals uit het behandelde en uit fig. 49 volgt, de droppel a, die den
uitgaanden straal in het oog doet komen, niet hoogcr dan 42^ graad
kunnen zijn, terwijl de droppel b niet hoogcr dan omstreeks 50
graden kan geplaatst wezen. Is de Zon in den horizon, dan is dus
de regenboog een halve cirkel, welks straal 42^ graad of 50 gra-
den is. Staat de Zon hoogcr dan ligt het middelpunt van den boog
onder den horizon, en de boog is dan kleiner dan een halve cirkel.
Het zonnelicht is echter geen enkelvoudig licht, maar bij de bre-
king daarvan door een prisma bespeurt men dat het uit verschillende
kleuren bestaat (*). De roode stralen worden het minst, de violette
het meest gebroken. Treft dus een lichtstraal eenen droppel a,
fig. 51, die eenen rooden straal in het oog brengt, dan zal een droppel,
die eenen violetten straal in het oog zal brengen lager moeten ge-
legen zijn. De brekingsexponent voor roode stralen is 1,33, en die
voor violette 1,34, zoodat hieruit in verband met dc vroeger be-
paalde waarden van x, i en r volgt, dat als een droppel a een
violette straal in het oog zal brengen, de Zon hoogstens 40^ boven
den horizon moet zijn, of dat de straal van het grondvlak van meer
genoemden kegel ongeveer 40| graad groot moet zijn. Hieruit volgt
dat de boog ongeveer 2° breed zal zijn.
Treft de lichtstraal den droppel aan de onderzijde, dan was voor
(*) Steyn Parve'. Natuurkunde, bladz. 587.