Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-170
zich nu in O iemand, dan zal hij het punt B, dat boven den hori-
zon is, in de rigting Ob' of OB' zien, zoodat B' onder den horizon
gezien wordt. — Even zoo kon het gebeuren dat voorwerpen onder
den horizon gelegen boven den horizon gezien worden, wanneer door
ongelijke verwarming hoogere lagen minder digt zijn dan lagere:
want dan zal als van den top van eenig voorwerp een lichtstraal in
schuine rigting naar boven gaat, deze meer en meer van de normaal
afwijken, eindelijk tegen eenige luchtlaag teruggekaatst worden, op
nieuw naar beneden gaan, telkens meer tot de normaal naderende,
om zoo in het oog te komen van eenen waarnemer, die boven den
horizon het beeld van een voorwerp ziet dat onder zijnen horizon
is. — Zoo ook kan het gebeuren, dat luchtlagen, die in verticale lagen
nevens elkander liggen, ongelijke digthcid hebben, ten gevolge waar-
van men eenig voorwerp en tevens op eenigen afstand daarvan een
beeld door luchtspiegeling uit. — De zonderlingste verschijnselen kun-
nen op dergelijke wijze ontstaan, en dat zij een gevolg zijn van
ongelijke verwarming of digtheid van de luchtlagen blijkt hieruit,
dat als men over eenen met gloeijende houtskolen voorzienen bak
naar eenig voorwerp ziet, dat ongeveer op de hoogte van het oog
ligt men niet alleen dit voorwerp, maar ook een lager liggend
beeld daarvan waarnemen zal.
111. De begenboog. Een ander verschijnsel van wijziging in
rigting, die de lichtstralen in de ruimte ondergaan, is de regenboog.
Hier is het niet de breking of terugkaatsing van lichtstralen in den
dampkring, maar de breking en terugkaatsing van de lichtstralen in
de regendroppels, waardoor de regenboog ontstaat.
Om eenen regenboog te zien moet de Zon achter en de regenwolk
vóór den waarnemer zijn. — Onderstellen wij dat de cirkel MA,
fig. 49, een regendroppel is, dat SA, een lichtstraal van de Zon ko-
mende , in den droppel de rigting AB aanneemt, bij B teruggekaatst
wordt in de rigting BG en bij G den droppel ten gevolge der bre-
king in de rigting CO verlaat, dan zal het oog, in de lijn GO ge-
plaatst, den indruk van dien lichtstraal ontvangen. Nu is het dui-
delijk dat de hoek ONS door MN en de hoek ABC door MB
middendoor gedeeld wordt. Stellen wij nu den invallingshoek van
den straal SA gelijk i, de helft van den hoek ABC gelijk r en de
helft van den hoek SNO, dien de invallende met den uitgaanden
straal maakt, gelijk i, dan is