Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
-109
De refractie is dus voor eene schijnbare hoogte van BO" gelijk
h' — h = 33,3 seconde. Zij neemt voor grootcrc hoogten af en voor
lagere hoogten , toe. — Door bovenstaande formule kan men voor
bijna alle schijnbare hoogten de refractie vinden. Is echter de ware
hoogte boven den schijnbaren horizon gelijk nul, dan is de refractie
ongeveer 34 minuten. — Is dus de onderkant van de Zon ongeveer
34 onder den schijnbaren horizon, dau is die onderkant nog in den
horizon zigtbaar, terwijl, naar (55), de geheele Zon reeds onder den
schijnbaren horizon "is. — Wij zien dus de Zon ruim 2 minuten
eerder boven den horizon schijnt dan zij werkelijk daar boven komt, en
nog 2 minuten daar boven schijnt nadat zij werkelijk is ondergegaan.'—
Het zelfde geldt ook van de Maan cn van andere hemelligchamen, al-
thans in zooverre als de dagbogen ongeveer'loodregt op den horizon
staan. Maken deze dagbogen scheeve hoeken, dan zal het verschil in
tijd tusschen de schijnbare en ware opkomst natuurlijk grooter zijn.
, 110. LucnTSPiEGELiNG. Hct gcbcurt somtijds dat men voorwer-
pen op de Aarde in eene andere rigting ziet, dan die waarin zij
zich bevinden. Dit is niet anders dan een gevolg van eene soort
' van straalbreking, en dit verschijnsel wordt met den naam van
luchtspiegeling bestempeld.
Indien in fig. 48 uit eenig punt O de top B van eenig voorwerp
AB in de rigting OB gezien worden, dan kan het gebeuren, dat
men dien top B onder den horizon ziet, zoodat het geheele voor-
werp AB een omgekeerd beeld AB' vertoont, even als zich eenig
voorwerp in een stilstaand water spiegelt. Dit verschijnsel kan ver-
klaard door aan te nemen dat bij rustige lucht de onderste luchtlagen,
ten gevolge van de eigenaardige gesteldheid van den grond meer
verwarmd zijn, dan de onmiddellijk daarboven gelegene lagen. Gaat
dus van B een lichtstraal Ba uit, dan zal die van de normaal afge-
bogen worden in de rigting ab. Verder zal die in de volgende laag
op nieuw van de normaal afwijken en in de rigting bc voortgaan.
In de derde ijlere laag neemt die straal de rigting cd, en in de
vierde de rigting de aan. Op die onderste laag of op den bodem
wordt de straal onder eenen gelijken hoek met dc normaal terugge-
kaatst in de rigting ed'. Deze teruggekaatste straal neemt in de
naast hoogere en digtere laag de rigting d'c' aan; in de daarop vol-
gende digtere laag volgt zij de rigting c'b', en in de volgende laag
weder tot de normaal naderende heeft hij de rigting b'O. Bevindt