Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
■167
laten (*). Dat verschijnsel is bekend onder den naam van straal-
breking of refractie. Dewijl nu een lichtstraal, van eenig hemellig-
chaam komende om tot de Aarde te geraken, door den dampkring
moet gaan, eu deze, zooals wij later zullen zien, van boven naar
beneden gedurig in digtheid toeneemt, zoo komt die lichtstraal ge-
durig in meer digte luchtlagen, en hij moet dus gedurig meer en
meer van zijne rigting afwijken, zoodat hij als een kromme lijn door
den dampkring gaat. Stellen wij ons nu de Aarde voor als omge-
ven door eenige luchtlagen, die door evenwijdige vlakken begrensd
zijn, en stellen wij dat ieder dier lagen overal even digt is, maar
dat de laagsten de digtsten zijn, dan zal, als, in fig. 47 , MA de
straal der Aarde is, en Sa een lichtstraal voorstelt, die van eeue
ster S tot aan de bovenste laag van den dampkring komt. Ma de
normaal zijn, naar welke de straal bij het intreden in de buitenste
laag gebogen wordt, zoodat hij in het punt b de tweede laag treft.
Daar is Mb de normaal, en de invallende straal ab wordt gebroken
in de rigting bc, zoodat de derde laag door de lichtstraal bc in c
getroffen wordt. Hier wordt hij weder naar de normaal Mc gebo-
gen, en treft de vierde laag in het punt d. In die laag wordt hij
nogmaals naar de normaal Md gebogen, cn treft het oppervlak der
Aarde in A. De lichtstraal van S komende, is dan volgens de lijn
SabcdA van S tot A gekomen. Dewijl echter iemand in A het licht
in de rigting Ad of AS' tot zich ziet komen, zoo is het voor hem
alsof de ster S in S', en dus hoogcr boven den horizon staat dan
werkelijk het geval is. — De hoogtemetingen aan den hemel zijn
dus grooter dan zij zonder de refractie zouden zijn. Alleen is er geen
refractie voor sterren, die in het toppunt van eenige plaats staan,
omdat hare stralen voor die plaats regthoekig door de bedoelde
luchtlagen gaan.
De Natuurkunde leert, dat er voor een lichtstraal, die van eenige
stof in eene andere overgaat, eene vaste verhouding plaats heeft,
tusschen den sinus van den invallingshoek en den sinus van den bre-
kingshoek. Noemen wij den eersten i en den tweeden b, dan is
sin. i == n sin. b, waarin n de brekingsexponent genoemd wordt.
Laat nu de lichtstraal Sa eenen hoek i met de normaal van a
)
(*) Steyn Parve'. Natuurkunde, bladz. 587.