Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
1G6
Op gelijke wijze zal men ook den aard van liet lieht van de vaste
sterren en van de kometen kunnen onderzoeken, om daarnaar eeni-
germate tot de natuurlijke gesteldheid dier ligehamen te besluiten.
107. Zonnevlekken, zonnefakkels. Op het oppervlak der Zon
neemt men donkere vlekken waar, die veranderlijk zijn, e,VL zonnevlek-
ken genoemd worden. Op andere plaatsen van haar oppervlak ziet
men echter ecu sterker lichten dan op het overige van hare schijf,
en men noemt dat zonnefakkels. Over den aard en het ontstaan van
vlekken en fakkels heeft men hypothesen opgesteld, die wij hier niet
mededeelen, omdat eene nadere onderzoeking omtrent den aard van
het zonneligchaam deswege welligt eene andere uitspraak zal doen. —
Die zonnevlekken, welke eenigen tijd aanhouden, bewegen zich van
de oost- naar de westzijde der schijf, en uit dien tijd, dien zij daar-
toe besteden, heeft men afgeleid dat de Zon in ruim 25 dagen van
het Westen naar het Oosten om hare as wentelt, en dat haar as
eenen hoek van 83° met de ekliptika maakt.
108. Zcdiakaallicht. Ten tijde van de nachteveningen ziet men
bij heldere avonden, als de schemering voorbij is, aan den westelij-
ken horizon een zwakke lichtende streep, welke zich als een scheef
op den horizon staande kegel voordoet. De basis van dezen kegel
is ongeveer op de plaats, waar de Zon onderging, terwijl zijn as op
het middelpunt der Zon gerigt is. Die streep schijnt met den aequa-
tor van de Zon zamen te vallen, en dewijl die aequator slechts
eenen hoek van ongeveer 7° met de ekliptika maakt, zoo volgt die
streep ongeveer de rigting van de ekliptika, en daar de gordel,
die zich aan weêrszijden van de ekliptika ongeveer 10° uitstrekt,
dierenriem of zodiak genoemd wordt, zoo heeft m,en aan dat licht
den naam van zodiakaalUcU gegeven. — Vóór de opkomst van de
Zon wordt dit licht omstreeks den tijd der nachteveningen ook waar-
genomen, doch niet zoo sterk als des avonds.
Het schijnt dat de Zon in de rigting van haren aequator omgeven
is van eenen lensvormigen nevelring, die door haar verlicht wordt,
en die nog boven den horizon is als de Zon reeds is ondergegaan. —
In de keerkringslanden is het verschijnsel fraaijer dan bij ons, ter-
wijl de kegel daar ongeveer regt op den horizon staat.
109. SiBAALBuiGiNG IN DEN DAMPKEiNG. In dc Natuurkundc
wordt geleerd dat lichtstralen, die stoffen van verschillende digt-
heid op hunnen weg ontmoeten, hunne oorspronkelijke rigting ver-