Boekgegevens
Titel: Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Auteur: Steynis, J.
Uitgave: Rotterdam: W.L. Stoeller, 1866
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 G 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203641
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek voor de beginselen der kosmographie
Vorige scan Volgende scanScanned page
■165
bepaalt, waarin die ster op de Aarde zal gezien worden, en het zal
dus zijn of die ster meer naar den kant van staat. Zoo is ook,
als de Aarde den 21 Maart bij is, hare beweging regthoekig
op die vau het licht van het punt T, en het- zal dus schijnen of
het punt Y meer naar den kant van £5 is afgeweken. Dit ver-
schijnsel nu is bekend onder den naam van aberratie of afdwaling,
van het licht. Weet inen nu door waarneming hoe groot voor het
punt V de aberratie is en noemen wij die a, terwijl de snelheid
van de beweging, die de Aarde regthoekig op de rigting van de uit V
komende lichtstralen heeft, gelijk s is, dan kan men S of de sijel-
heid van het licht berekenen door de uitdrukking
tang. a
Dewijl nu s=4,12 geogr. mijlen en a = 20j sec. is, zoo is
S = 42000 mijlen ongeveer, welke waarde vrijwel met de onder (104)
opgegevene overeenkomt.
106. Ontleding van het licht deb hemelligchamen. In de
Natuurkunde leert men dat eene beschouwing van het zonnespec-
trum, door een prisma verkregen, bepaalde streepen doet zien, die
Trauenhofersche streepen genoemd worden (*). Het spectrum van
eene spiritusvlam levert zoodanige streepen niet op, maar houdt men
in die vlam eenige stof, die de vlam kleurt of meer lichtsterkte
geeft, dan verkrijgt men voor sommige stoffen heldere streepen, die
met bepaalde donkere streepen van het zonnespectrum te zamen
vallen. Uit dit verschijnsel heeft men afgeleid, dat in het zon-
nelicht sommige stoffen in dampvorm aanwezig zijn, die op de
^Aarde aangetroffen worden, zoodat men grond heeft om te on-
✓ derstellen dat de Zon een gloeijend ligchaam is, dat omgeven is
door eene atmospheer, in welke gloeijende dampen van die stoflen
aanwezig zijn.
Dewijl nu het licht van de Maan en van de planeten gelijke stree-
pen in het spectrum geeft als het licht van de Zon, zoo blijkt hieruit
dat het licht van deze ligchamen gelijke zamenstelling heeft als dat
van de Zon, en dat het, zooals wij in (72) zagen, teruggekaatst zon-
nelicht is, dat ons de Maan en de planeten toezenden.
(*) Steyn Parve'. Natuurkunde, bladz. 587.